Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RBSGR:2006:AX6537

Rechtbank 's-Gravenhage · 10-03-2006 · zaaknummer AWB 05/33603

Bestuursrecht; VreemdelingenrechtGepubliceerd 05-04-2013
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Ongewenstverklaring / ambtsbericht AIVD / inzake onderliggende stukken door de rechtbank. In de onderhavige zaak is de rechtbank van oordeel dat het feitelijke gehalte van de in het ambtsbericht weergegeven informatie van dien aard is dat die informatie op voorhand en in voldoende mate de conclusie kan dragen dat eiser een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. Het ambtsbericht is voorts voldoende concreet op de persoon van eiser toegespitst om op voorhand in redelijkheid te kunnen concluderen dat de in het ambtsbericht vervatte feiten en omstandigheden - op zichzelf en in onderling verband bezien - voldoende inzichtelijk zijn om eenduidig te kunnen leiden tot die conclusie. Het ambtsbericht biedt voorts weliswaar in beperkte doch naar het oordeel van de rechtbank voldoende concrete aanknopingspunten voor betwisting door eiser. Eiser heeft aan deze mogelijkheid tot betwisting in te beperkte mate invulling gegeven. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid zonder nader onderzoek heeft kunnen concluderen dat het ambtsbericht op inzichtelijke wijze informatie verschaft, en dit aan het besluit ten grondslag heeft kunnen leggen. De rechtbank heeft de onderliggende inlichtingen en stukken van het ambtsbericht ingezien. Op grond van deze onderliggende stukken concludeert de rechtbank dat deze stukken de conclusie van de AIVD kunnen dragen dat eiser een gevaar vormt voor de nationale veiligheid, zodat verweerder dit aan zijn besluit tot ongewenstverklaring ten grondslag heeft kunnen leggen. Artikel 87 WIV 2002 staat eraan in de weg dat eiser dient te kunnen reageren op de feitelijke bevindingen van de rechtbank ten aanzien van het inzien van de onderliggende stukken. Van strijd van dit artikel met artikel 13 EVRM is geen sprake. Binnen de gegeven procedurele beperkingen kan in beperkte mate vorm gegeven worden aan de tegenspraak. De onderhavige procedure blijft dan ook binnen het kader zoals door het EHRM is geschetst in het arrest Al Nashif. Er is geen sprake van schending van artikel 3 EVRM. Niet is gesteld of gebleken dat zich sinds de Afdelingsuitspraak 200500640/1 van 5 juli 2005 in eisers asielprocedure nieuwe feiten en/of omstandigheden hebben voorgedaan die thans tot een andersluidende conclusie zouden moeten leiden. Ook de omstandigheid dat eiser op grond van de door de President van het EHRM getroffen interim measure vooralsnog niet naar Algerije mag worden uitgezet, betekent niet reeds dat door het EHRM is geconcludeerd dat sprake is van (dreigende) schending van artikel 3 EVRM. Evenmin strijd met artikel 9 EVRM. Beroep ongegrond.

Rechters

Advocaten

  • B.P.J.M. Ficq
  • G.M.H. Hoogvliet
  • I. PROCESVERLOOP

Partijen

  • Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie

    verweerder · onbekend

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.