Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RBSGR:2006:AX5823

Rechtbank 's-Gravenhage · 22-03-2006 · zaaknummer AWB 05/19209

Bestuursrecht; VreemdelingenrechtGepubliceerd 05-04-2013
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Verruimde gezinshereniging met meerderjarig kind / verbreking feitelijke gezinsband / artikel 4:84 Awb. De rechtbank stelt vast dat geen beleid is geformuleerd over de toepassing van artikel 3.24, aanhef en onder a, Vb 2000. Verweerder heeft bij de beoordeling of de feitelijke gezinsband al dan niet verbroken moet worden geacht, gegeven artikel 3.24, aanhef en onder a, Vb 2000, beoordelingsvrijheid. Dit betekent dat de rechtbank het standpunt van verweerder terzake slechts terughoudend mag toetsen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat, nu de hoofdpersoon in het huwelijk is getreden (en is teruggekeerd naar Nederland), de feitelijke gezinsband tussen hem en eiseres sedert dat moment als verbroken kan worden beschouwd, omdat de hoofdpersoon door het aangaan van een huwelijk een eigen gezin heeft gesticht. Hierbij is van belang dat verweerder in de omgekeerde situatie, waarbij een meerderjarig kind verblijf beoogt bij zijn hier te lande verblijvende ouder(s), blijkens hoofdstuk B2/8.3 Vc 2000, eveneens aanneemt dat de gezinsband is verbroken indien het kind is gehuwd. Verweerder heeft zich derhalve op het standpunt kunnen stellen dat eiseres niet voldoet aan de vereisten die artikel 3.24 Vb 2000 stelt voor toelating op grond van de beperking “verruimde gezinshereniging”. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt dat verweerder in dit geval niet bevoegd is gebruik te maken van zijn in artikel 4:84 Awb gegeven inherente afwijkingsbevoegdheid, omdat niet is getoetst aan beleidsregels, maar aan de voorwaarden van artikel 3.24 Vb 2000. Verweerder heeft immers de mogelijkheid de gestelde bijzondere omstandigheden te betrekken bij de vraag of hij gebruik zal maken van zijn bevoegdheid om op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder g, Vw 2000, een vergunning te verlenen, indien niet wordt voldaan aan de beperking. Van de beleidsregel als neergelegd in in B1/2.2.7 Vc 2000 dat van deze discretionaire bevoegdheid geen gebruik wordt gemaakt kan op grond van artikel 4:84 Awb worden afgeweken. Blijkens het bestreden besluit heeft verweerder weliswaar een belangenafweging gemaakt in het kader van de vraag of sprake is van feitelijk behoren tot het gezin van de hoofdpersoon; verweerder heeft echter de bijzondere omstandigheden waar eiseres een beroep op heeft gedaan niet beoordeeld in het kader van de vraag of eiseres, ondanks het feit dat zij niet voldoet aan de beperking als uitgewerkt in artikel 3.24 Vb 2000, desalniettemin een vergunning dient te worden verleend met gebruikmaking van de in artikel 4:84 Awb gegeven bevoegdheid. Gelet hierop is het bestreden besluit ondeugdelijk gemotiveerd. Beroep gegrond.

Advocaten

  • C.R. Vink
  • U.J. van der Veldt

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.