Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RBSGR:2006:AX4206

Rechtbank 's-Gravenhage · 19-04-2006 · zaaknummer AWB 05/17723

Bestuursrecht; VreemdelingenrechtGepubliceerd 05-04-2013
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Traumatabeleid / causaal verband tussen gebeurtenissen en vertrek / bewijslast / onderzoeksplicht verweerder. De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten om eiser niet in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, Vw 2000 na toetsing aan het traumatabeleid zoals neergelegd in paragraaf C1/4.4.2.1 Vc 2000. Uitgangspunt daarbij is de geloofwaardigheid van eisers relaas dat hij in 1997 getuige is geweest van de moord op zijn vader. Partijen zijn niet verdeeld over de kwalificatie van de gebeurtenissen in 1997 als zijnde traumatische ervaringen. Partijen houdt verdeeld of aannemelijk is geworden dat genoemde gebeurtenissen aanleiding zijn geweest voor eisers vertrek uit zijn land van herkomst. Gelet op de omstandigheid dat eiser zes jaar na de gebeurtenissen in 1997 zijn land van herkomst heeft verlaten, is het aan eiser om aannemelijk te maken dat er een verband is tussen de gebeurtenissen en zijn vertrek. De stelling van eiser dat de verzwaring van de onderzoeksplicht van verweerder onder de omstandigheden als vermeld in paragraaf C1/4.4.2.1 Vc 2000, met zich brengt dat de bewijslast ten aanzien van het causale verband tussen de gebeurtenissen en eisers vertrek (meer) op verweerder komt te rusten, volgt de rechtbank niet. Een verzwaring van de onderzoeksplicht is niet hetzelfde als een verschuiving van de bewijslast. Voorts overweegt de rechtbank in dit verband dat eiser de meest gerede partij is om het causale verband als voormeld aannemelijk te maken. Verweerder heeft door eiser nogmaals te horen naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderzoeksactiviteiten verricht. De rechtbank gaat niet mee in de stelling van eiser dat verweerder onderzoek had moeten laten verrichten door het Bureau Medische Advisering (BMA). In paragraaf C1/3.2.3.2 Vc 2000 is neergelegd dat het uitdrukkelijk niet de bedoeling is dat de artsen van het BMA worden ingeschakeld om de inhoudelijke beoordeling te steunen of over te nemen. Daarnaast volgt de rechtbank verweerders standpunt dat het inschakelen van het BMA geen toegevoegde waarde heeft. In de psychiatrische rapportage van de Medische Onderzoeksgroep van Amnesty International van 30 november 2005 wordt aannemelijk geacht dat eiser lijdt aan posttraumatische stressstoornis als gevolg van de gebeurtenissen in 1997. De artsen van het BMA kunnen wellicht eveneens een mogelijk verband aannemelijk achten tussen de psychische klachten van eiser en de gebeurtenissen in 1997. Hiervan uitgaande zal evenwel nog niet aannemelijk zijn gemaakt dat er een causaal verband bestaat tussen de gebeurtenissen in 1997 en het vertrek van eiser uit zijn land zes jaar later. Gelet op de verklaringen van eiser in de gehoren heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eiser het causale verband tussen de gebeurtenissen in 1997 en zijn vertrek niet aannemelijk heeft weten te maken. Dat eiser niet eerder dan na het verstrijken van zes jaren zijn land van herkomst zou hebben kunnen verlaten, heeft verweerder niet plausibel hoeven te achten. In dit verband heeft verweerder relevant kunnen achten dat eiser, zo blijkt uit zijn verklaringen, heeft deelgenomen aan het dagelijks leven in de Republiek Congo (eiser woonde bij vrienden, kwam buiten, ging naar school, speelde voetbal) en zich derhalve heeft weten te handhaven in zijn land van herkomst. Reeds gelet hierop heeft verweerder aan de stelling van eiser dat hij als gevolg van zijn psychische situatie niet in staat was om de benodigde documenten en zijn vertrek eerder te regelen, niet het gewicht hoeven toe te kennen dat eiser daaraan toegekend wenste te zien. Verweerder heeft geen aanleiding hoeven te zien om af te wijken van het in het traumatabeleid neergelegde uitgangspunt dat een vergunning op grond van het traumatabeleid in beginsel zal worden geweigerd bij een vertrek later dan zes maanden na een traumatische ervaring. Nu niet is gebleken van klemmende redenen van humanitaire aard, die verband houden met de redenen van het vertrek van eiser uit het land van herkomst, heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, Vw 2000. Beroep ongegrond.

Partijen

  • Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie

    verweerder · onbekend

  • [eiser]

    eiser · onbekend

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.