Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RBSGR:2006:AX1879

Rechtbank 's-Gravenhage · 11-05-2006 · zaaknummer AWB 05/51382

Bestuursrecht; VreemdelingenrechtGepubliceerd 04-04-2013
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Artikel 1F VSV / artikel 3 EVRM / duurzaamheid uitzettingsbeletsel / disproportionaliteit onthouden vergunning. Verweerder kan naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer worden gevolgd in zijn standpunt dat eiser - tegen de achtergrond van de huidige ontwikkelingen in Afghanistan - niet aannemelijk heeft gemaakt dat artikel 3 EVRM zich duurzaam verzet tegen terugkeer van eiser naar zijn land van herkomst. De algemene ambtsberichten van 19 augustus 2002, april 2003 en mei 2004 bieden geen steun voor de opvatting dat - voor wat betreft de (aanzienlijke) risico’s waaraan ex-communisten in Afghanistan blootstaan - op (korte) termijn verbetering te verwachten valt. In dat licht bezien kan zonder nadere motivering, welke evenwel ontbreekt in het bestreden besluit, niet met vrucht worden staande gehouden dat niet aannemelijk is dat eiser bij terugkeer naar Afghanistan - als ex-communist, onderscheidenlijk (voormalig) lid van de veiligheidsdienst KhAD - niet duurzaam zal worden blootgesteld aan wraakacties en daarmee aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. De verwijzing in het bestreden besluit naar de eigen verklaringen van eiser acht de rechtbank, voor zover al begrijpelijk, onvoldoende steekhoudend. Overigens heeft verweerder, door aldus te overwegen, de bewijslast met betrekking tot de vraag of aannemelijk is dat artikel 3 EVRM zich duurzaam verzet tegen uitzetting naar het land van herkomst, te eenzijdig op de schouders van eiser gelegd en daarmee miskend dat er op hem een eigen onderzoeksplicht rust. Deze onderzoeksplicht brengt in het onderhavige geval met zich dat het op de weg van verweerder lag de eigen verklaringen van eiser te beoordelen in het licht van hetgeen hem over de algemene situatie in het land van herkomst van eiser bekend is. Verweerder heeft dit niet gedaan. Voor zover het bestreden besluit er (subsidiair) toe strekt dat het onthouden van een verblijfsvergunning in het geval van eiser niet als disproportioneel is aan te merken, dient de rechtbank een terughoudende toets te betrachten. Niet kan worden gezegd dat het in WBV 2004/56 neergelegde beleid kennelijk onredelijk dan wel anderszins rechtens onjuist is te achten. In het bijzonder heeft de rechtbank geen grond kunnen vinden voor het oordeel dat het door verweerder gevoerde beleid niet in lijn is met hetgeen de Afdeling in haar uitspraak 200308845/1 van 2 juni 2004 heeft overwogen. Daarbij is van belang dat zowel die uitspraak als het naar aanleiding daarvan verschenen WBV ervan uitgaan dat het blijvend onthouden van een verblijfsvergunning eerst disproportioneel kan zijn indien de vreemdeling zich in een uitzonderlijke situatie bevindt. In casu bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet is gebleken van een uitzonderlijke situatie in de voorbedoelde zin. Verweerder heeft zich derhalve niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het (blijvend) onthouden van een verblijfsvergunning in het geval van eiser niet als disproportioneel is aan te merken. Beroep ongegrond.

Advocaten

  • A.J.P. Lemmen

Partijen

  • Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie

    verweerder · onbekend

  • [eiser]

    eiser · onbekend

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.