ECLI:NL:RBSGR:2005:AV6489
Rechtbank 's-Gravenhage · 20-12-2005 · zaaknummer AWB 04/57669
Inhoudsindicatie
Verblijfsdoel / medische noodsituatie / geen procesbelang. Eiser heeft een verblijfsvergunning regulier onder de beperking 'medische behandeling' gevraagd. Bij besluit van 3 september 2004 is hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf vanwege medische noodsituatie’ voor vijf jaar verleend. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat hij met de aan hem verleende verblijfsvergunning in een slechtere situatie is gebracht, dan wanneer hij een verblijfsvergunning onder één van de andere gevraagde beperkingen - ‘medische behandeling’ danwel ‘conform beschikking minister’ - zou hebben gekregen. In artikel 3.5, tweede lid, onder n, Vb 2000 is bepaald dat indien de verblijfsvergunning is verleend onder een beperking verband houdend met ‘het ondergaan van medische behandeling’ het verblijfsrecht tijdelijk is. Artikel 3.5 derde lid, Vb 2000 bepaalt dat indien de verblijfsvergunning is verleend onder een andere beperking dan genoemd in het tweede lid, het verblijfsrecht niet-tijdelijk is, tenzij bij de verlening van de verblijfsvergunning anders is bepaald. De beperking ‘verblijf vanwege medische noodsituatie’ is zo een beperking die niet wordt genoemd in het tweede lid van artikel 3.5 Vb 2000 en mitsdien onder het derde lid thuishoort. In het besluit van 3 september 2004 heeft verweerder niet bij de verlening bepaald dat het gaat om een verblijfsrecht van tijdelijke aard, zodat uit het derde lid van artikel 3.5 Vb 2000 voortvloeit dat met de aan eiser verleende verblijfsvergunning een niet-tijdelijk verblijfsrecht is toegekend. Het feit dat in hoofdstuk B8/3 Vc 2000 staat vermeld dat de verblijfsvergunning met de beperking ‘verblijf vanwege medische noodsituatie’ ingevolge artikel 3.5, derde lid, Vb 2000 een verblijfsrecht van ‘tijdelijke’ aard toekent, niet kan leiden tot een ander oordeel. Deze vermelding in het beleid is evident in strijd met de tekst van artikel 3.5, derde lid, Vb 2000. In een beleidsregel in algemene zin afwijken van een algemeen verbindend voorschrift is niet mogelijk. Ook ten opzichte van de verblijfsvergunning met de beperking ‘conform beschikking minister’, welke vergunning eveneens wordt verleend op grond van artikel 3.4, derde lid, Vb 2000, is de rechtbank niet gebleken dat de positie van eiser ongunstiger zou zijn. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiser geen belang heeft bij het door hem ingestelde beroep bij de rechtbank. Inhoudelijke bespreking van de overige gronden kan mitsdien achterwege blijven. Het beroep is derhalve niet-ontvankelijk.
Rechters
Advocaten
- P.J. Wapperom
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
