Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RBSGR:2003:AI1424

Rechtbank 's-Gravenhage · 14-07-2003 · zaaknummer AWB 03/20114

Bestuursrecht; VreemdelingenrechtGepubliceerd 04-04-2013
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Artikel 3 EVRM / ongewenstverklaring / teruggeleiding. Verzoeker is vóór de beoordeling van zijn asielaanvraag ongewenst verklaard en vóór de behandeling van het tegen de afwijzing van deze aanvraag ingediende beroep uitgezet naar zijn land van herkomst. Het onderhavige verzoek om een voorlopige voorziening strekt er met name toe uitzetting te voorkomen nu nog niet definitief is beslist op de asielaanvraag. Nu verzoeker door verweerder reeds is uitgezet moet het petitum thans worden opgevat als ertoe strekkende dat verweerder wordt gelast verzoeker te doen teruggeleiden naar Nederland en niet weer uit Nederland te verwijderen tot vier weken nadat op het asielberoep is beslist. Verzoeker heeft mede een beroep gedaan op artikel 3 EVRM. Ingevolge hoofdstuk C1/4.3 Vc 2000 wordt van verlening van een verblijfsvergunning op deze grond uitsluitend afgezien indien artikel 1F VSV van toepassing is, dan wel indien de vreemdeling activiteiten heeft verricht die tot gevolg hebben dat verlening van een verblijfsvergunning aantasting van een gewichtig belang van de Nederlandse staat zou betekenen. Ook in die gevallen wordt feitelijk niet tot verwijdering naar het land van herkomst overgegaan indien een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM bestaat. Indien verzoeker inderdaad een geslaagd beroep op artikel 3 EVRM zou hebben, kan de onderhavige ongewenstverklaring, die uitsluitend op een strafrechtelijke veroordeling van tien maanden gevangenisstraf, waarvan vier voorwaardelijk, is gebaseerd, nimmer tot gevolg hebben dat niet tot de verlening van een verblijfsvergunning wordt overgegaan c.q de vreemdeling mag worden verwijderd. Nu verzoeker is uitgezet naar het land van herkomst is verweerder mogelijkerwijs tekortgeschoten in zijn verantwoordelijkheid voor de handhaving van artikel 3 EVRM, doch heeft verweerder zonder enige twijfel verzoekers recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel tegen een mogelijke schending van het refoulementverbod geschonden, zoals verankerd in artikel 13 EVRM in samenhang met artikel 3 EVRM. Tevens is sprake van overtreding van het grondwettelijke gebod dat niemand tegen zijn wil kan worden afgehouden van de rechter die de wet hem toekent. Dit geldt a fortiori nu uit de jurisprudentie van de ABRS volgt dat een beroep op het refoulementverbod van artikel 3 EVRM slechts in het kader van een asielaanvraag kan worden beoordeeld. Verweerder heeft voorts het zorgvuldigheids- en vertrouwensbeginsel geschonden door op 6 mei 2003 de rechtbank te verzoeken om met spoed de voorlopige voorziening en het asielberoep te appointeren, omdat uitzetting eerst kan plaatsvinden nadat de voorlopige voorziening en het beroep door de rechtbank zijn behandeld, maar verzoeker vervolgens op 16 mei 2003 toch uit te zetten. Verweerder heeft niet terecht kunnen besluiten tot uitzetting alvorens op het asielberoep was beslist. Toewijzing verzoek.

Advocaten

  • J.M. Langenberg

In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.

Partijen

  • Staatssecretaris van Justitie

    verweerder · overheid

Overheidspartijen

  • Staatssecretaris van Justitie

    verweerder

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.