ECLI:NL:RBSGR:2003:AI1407
Rechtbank 's-Gravenhage · 11-07-2003 · zaaknummer 02/17771
Inhoudsindicatie
Artikel 1F VSV / uitzetting / artikel 3 EVRM. Eisers asielaanvraag is afgewezen op grond van artikel 1F Vluchtelingenverdrag (VSV). Verweerder heeft aangegeven dat hij voorlopig geen gebruik zal maken van zijn bevoegdheid om eiser uit te zetten. Daarbij heeft verweerder gesteld dat de bescherming van artikel 3 EVRM niet zover strekt dat daaruit de verplichting voortvloeit aan eiser een verblijfsvergunning te verstrekken. De rechtbank oordeelt dat de tekst en wording van het Vluchtelingenverdrag de praktijk van verweerder toelaten om in voorkomende gevallen artikel 1F aan de vreemdeling tegen te werpen alvorens is vastgesteld of de vreemdeling vluchteling is in de zin van artikel 1A. Gelet op de ernst van de in artikel 1F genoemde gedragingen valt deze handelwijze van verweerder naar het oordeel van de rechtbank te billijken. Dit neemt niet weg dat de zorgvuldigheid welke verweerder ingevolge het bepaalde in artikel 3:2 Awb in acht dient te nemen meebrengt dat verweerder zich een beeld dient te vormen van de vluchtmotieven van de asielzoeker, alvorens te beslissen of op grond van het bepaalde in artikel 1F de bescherming van het Verdrag aan de vreemdeling moet worden onthouden. Ten aanzien van eisers klacht dat verweerder ten onrechte niet heeft getoetst aan het bepaalde in artikel 3 EVRM overweegt de rechtbank het volgende. In het in de Vw 2000 neergelegde wettelijke stelsel ter zake van de toelating en uitzetting van vreemdelingen is de bevoegdheid tot uitzetting het rechtsgevolg van de illegaliteit van het verblijf van de vreemdeling hier te lande, dan wel van de afwijzing van een verzoek om toelating. Deze bevoegdheid is niet discretionair van aard. De rechtbank verwijst naar uitspraak 200101994/1 van de ABRS van 29 mei 2001. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het standpunt van verweerder dat uitzetting van eiser, niettegenstaande de afwijzing van zijn aanvraag, niet aan de orde is, niet kan worden gevolgd. Aan verweerder komt niet de vrijheid toe te beslissen de uitzetting van eiser achterwege te laten. Dit betekent dat verweerder ten onrechte de aanvraag heeft afgewezen alvorens te bepalen of uitzetting van de vreemdeling niet tot schending van artikel 3 EVRM zal leiden. Het bestreden besluit is derhalve onvoldoende gemotiveerd. Beroep gegrond.
Advocaten
- A. van Blankenstein
- A.K.J. Plaisier
- I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
Staatssecretaris van Justitie
verweerder · overheid
Overheidspartijen
Staatssecretaris van Justitie
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
