ECLI:NL:RBSGR:2003:AH9648
Rechtbank 's-Gravenhage · 17-06-2003 · zaaknummer AWB 01/20602
Inhoudsindicatie
Afghanistan / Khad / artikel 1F VSV / ACV. Eiser heeft in zijn beroepschrift nieuwe feiten aangevoerd en daarmee zijn asielrelaas aangevuld in die zin dat hij thans betoogt dat hij zich wel degelijk heeft gedistantieerd van en verzet tegen de handelwijze van de KhAD/WAD en dat artikel 1F Vluchtelingenverdrag (VSV) hem derhalve ten onrechte is tegengeworpen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat deze nieuwe feiten, gelet op de regels van goede procesorde, niet in de onderhavige procedure kunnen worden meegenomen. De rechtbank onderschrijft verweerders standpunt niet en overweegt daartoe dat de gehoudenheid van de vreemdeling als bedoeld in artikel 31, eerste lid, Vw 2000 om bij de aanvraag aannemelijk te maken dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening van de gevraagde vergunning vormen, niet zo ver gaat dat de vreemdeling ook gehouden is reeds bij de aanvraag argumenten aan te voeren tegen een mogelijke tegenwerping door verweerder dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de in artikel 1F VSV bedoelde gedragingen. Binnen het kader van de besluitvorming naar aanleiding van de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel heeft de standpuntbepaling van verweerder dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan een gedraging als bedoeld in artikel 1F VSV een eigenstandig karakter. Dit (ambtshalve ingenomen) standpunt heeft voorts een voor eiser belastend karakter. Bij een dergelijk belastend oordeel geldt de bestuursrechtelijke hoofdregel van artikel 3:2 Awb, dat het bestuursorgaan moet zorgen voor de gegevens die nodig zijn voor een verantwoord oordeel onverkort. Nu bij het bestreden besluit (na bezwaar niet tijdig) voor het eerst aan eiser is tegengeworpen dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan in artikel 1F VSV genoemde gedragingen, kan derhalve hetgeen eiser in het beroepschrift als reactie daarop naar voren heeft gebracht, bij de beoordeling van het geschil worden betrokken. Ten aanzien van eisers beroep op schending van de hoorplicht nu verweerder hem door een ambtelijke commissie in plaats van door de ACV heeft doen horen, overweegt de rechtbank dat verweerder hiermee is vooruitgelopen op een toekomstige wijziging met terugwerkende kracht van het overgangsrecht van de Vw 2000. Zolang het betreffende wetsontwerp niet is aanvaard, is het achterwege laten van het horen door de ACV in strijd met het in casu van toepassing zijnde en tevens het thans nog geldende recht. De rechtbank is voorts van oordeel dat eiser door verweerders handelwijze om niet te horen door de ACV in zijn belangen is geschaad. Dit klemt in het onderhavige geval eens te meer nu geen primair besluit is genomen en uit het verslag van het AC-gehoor naar voren komt dat dit gebrekkig is verlopen. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit - in strijd met artikel 3:2 Awb - onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en dient te worden vernietigd. Beroep gegrond.
Advocaten
- G.M.H. Hoogvliet
- I. Vreeken
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
