ECLI:NL:RBSGR:2002:AF5893
Rechtbank 's-Gravenhage · 18-10-2002 · zaaknummer AWB 02/41508
Inhoudsindicatie
Verzet / feiten en omstandigheden. Het verzoek om herziening is afgewezen. Opposant heeft verzet ingesteld. De rechtbank begrijpt dat opposant zich op het standpunt stelt dat de rechtbank het herzieningsverzoek niet buiten zitting ongegrond had kunnen verklaren. Opposant heeft een memorandum van de minister van Buitenlandse Zaken ingebracht op grond waarvan vaststaat dat feiten en omstandigheden hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak waarvan herziening is verzocht. Ten tijde van de uitspraak waren deze feiten en omstandigheden aan opposant niet bekend. De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of er in redelijkheid geen twijfel mogelijk is dat deze feiten en omstandigheden bij opposant vóór deze uitspraak redelijkerwijs bekend hadden kunnen zijn. De rechtbank verwijst naar de MvT bij artikel 8:88 Awb. Uit het memorandum van de minister van Buitenlandse Zaken komt naar voren dat de Iraanse vertegenwoordiging in Nederland de hongerstakingsactie, waarbij opposant betrokken was, hoog heeft opgenomen. De Iraanse vertegenwoordiging heeft contact opgenomen met onder meer het Ministerie van Buitenlandse Zaken om het ongenoegen over deze actie te uiten. Uit een bij het memorandum gevoegde nota, die niet aan opposant ter beschikking is gesteld, blijkt dat de Iraanse vertegenwoordiging heeft aangedrongen op ‘removal of these individuals’. Onduidelijk is of dit betrekking heeft op de locatie van de hongerstaking of op Nederland. Derhalve is niet uit te sluiten dat na kennisname van de volledige tekst van het memorandum en de bijgevoegde nota meer duidelijkheid kan worden verkregen over de vraag of verweerder niet bekend was dan wel redelijkerwijs bekend had kunnen zijn met de opstelling van de Iraanse vertegenwoordiging naar aanleiding van de hongerstakingsacties. Gelet op vorenstaande is over de uitslag van het verzoek om herziening twijfel mogelijk. Het verzoek om herziening had niet kunnen worden afgewezen. De rechtbank heeft zich in de uitspraak, waartegen opposant in herziening is gekomen, niet uitgelaten over de vraag of bekendheid met de informatie uit het voornoemde memorandum - in het kader van artikel 3 EVRM - tot een andere uitspraak zou hebben kunnen leiden, indien deze informatie bij de rechtbank eerder bekend was geweest. In het kader van de beoordeling van het verzet kan hieromtrent geen oordeel worden gegeven. Het verzet is gegrond. Gelet op artikel 8:55, zevende lid, Awb vervalt de uitspraak waartegen verzet was gedaan en wordt het onderzoek voortgezet in de stand waarin het zich bevond.
Rechters
Advocaten
- M. Ferschtman
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
