ECLI:NL:RBSGR:2002:AF0081
Rechtbank 's-Gravenhage · 27-09-2002 · zaaknummer AWB 02/296 WW
Inhoudsindicatie
Maandelijkse aanvulling die naar aanleiding vande ontbinding van de arbeidsovereenkomst is toegekend (tot aan bereiken van pensioengerechtigde leeftijd) moet integraal worden aangemerkt als (fictief) loon gedurende een fictieve opzegtermijn. Eiseres was werkzaam bij een makelaarskantoor. De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst per 1 juni 2001 ontbonden. De kantonrechter heeft tot eiseresses pensioengerechtigde leeftijd een aanvulling toegekend ter grootte van het verschil tussen haar uitkering, andere inkomsten en het huidige salaris. Verweerder heeft eiseres ingaande 1 augustus 2001 een loongerelateerde uitkering toegekend, rekening houdend met de fictieve opzegtermijn. De rechtbank beantwoordt de vraag of de (periodieke) aanvulling die eiseres is toegekend, en die blijkbaar maandelijks wordt uitgekeerd tot aan het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd op [...] november 2003, integraal moet worden aangemerkt als (fictief) loon gedurende een fictieve opzegtermijn, bevestigend. Daarbij is vooral gekeken naar de wettekst, en naar de kennelijke bedoeling van de wetgever. Uit de letterlijke tekst van art. 16.3 eerste volzin, WW blijkt reeds dat alle inkomsten waarop de werknemer in verband met de beëindiging van de dienstbetrekking aanspraak maakt, gelijk worden gesteld aan (het recht op onverminderde doorbetaling van) loon over de periode waarop dat loon betrekking zou hebben gehad, als de dienstbetrekking nog had bestaan. Die periode begint te lopen op de dag na de datum van ontbinding zoals die door de kantonrechter is vastgesteld, en bedraagt (in dit geval) twee maanden. Dat de vergoeding in dit geval wordt uitgekeerd in de vorm van een maandelijkse toelage tot november 2003, in plaats van een vergoeding ineens, is niet van belang. De wetgever heeft beoogd om zoveel mogelijk inkomsten, die in verband met de beëindiging worden genoten, gelijk te stellen met het recht op onverminderde doorbetaling van loon. Daarbij wordt overigens opgemerkt dat de kantonrechter de uitwerking van de vergoeding aan partijen heeft overgelaten. Eiseres kan dus niet worden gevolgd in haar opvatting dat de fictieve opzegtermijn niet (onverkort) gebruikt mocht worden, uitsluitend omdat de maandelijkse toelage niet toereikend was om de periode tussen 1 juni 2001 en 1 augustus 2001 te overbruggen. Daarmee zou immers worden miskend dat de wettelijke regeling zich nu juist kenmerkt door het in ogenschouw nemen van fictief loon gedurende een fictieve opzegtermijn bij het bepalen van het recht op de uitkering. Ongegrond beroep. Raad van bestuur van het UWV, verweerder. mr. C.J. Waterbolk
Rechters
In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
