ECLI:NL:RBSGR:2002:AE9565
Rechtbank 's-Gravenhage · 23-05-2002 · zaaknummer AWB 01/50101
Inhoudsindicatie
Mvv / gezinshereniging / belangenafweging. Aan de orde is de vraag of verweerders weigering eiseres een mvv te verlenen een schending van artikel 8 EVRM oplevert. Gelet op de EHRM-uitspraak nr. 31465/96 d.d. 21 december 2001 is de rechtbank van oordeel dat de vraag rijst of de beslissing van verweerder op het punt van de beoordeling van een mogelijke schending van artikel 8 EVRM in overeenstemming is met de jurisprudentie van het EHRM. Niet betwist wordt dat tussen eiseres en haar ouders sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM. De rechtbank oordeelt dat de weigering eiseres een mvv te verlenen geen inmenging in het gezinsleven vormt. Eiseres is nimmer in het bezit geweest van een verblijfstitel, zodat het bestreden besluit er dan ook niet toe strekt eiseres een verblijfstitel te ontnemen die haar tot het uitoefenen van het gezinsleven hier te lande in staat stelde. Derhalve dient te worden bezien of op verweerder een positieve verplichting rust om eiseres en haar ouders familie- en gezinsleven in Nederland mogelijk te maken. Op grond van jurisprudentie van het EHRM geldt daarbij als uitgangspunt dat artikel 8 EVRM voor de staat geen algemene verplichting met zich brengt gezinshereniging op haar grondgebied mogelijk te maken door immigratie toe te staan. Dit uitgangspunt is herhaald in de zaak Sen. Teneinde de omvang van de (negatieve of positieve) verplichtingen voor de staat te bepalen en de door de staat gemaakte belangenafweging te beoordelen, dienen de feiten en omstandigheden in het individuele geval in ogenschouw te worden genomen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder die belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM niet op de juiste wijze gemaakt, althans onvoldoende duidelijk gemotiveerd. Van een vrije domiciliekeuze voor de uitoefening van familie- of gezinsleven is geen sprake, maar dat ontslaat verweerder niet van de verplichting ook daadwerkelijk de feiten en omstandigheden van dit geval bij de beoordeling te betrekken. Verweerder heeft in de bestreden beschikking volstaan met het achtereenvolgens opmerken dat er geen objectieve belemmering bestaat tot het uitoefenen van het gezinsleven in Turkije en dat het de ouders vrij staat naar Turkije te gaan, terwijl er geen bijzondere omstandigheden zijn waaruit alsnog een positieve verplichting voortvloeit, terwijl niet aannemelijk is dat eiseres is aangewezen op verblijf bij referent. Aspecten die voor het EHRM bij de beoordeling van de zaak Sen van groot belang waren worden geheel onvermeld gelaten. Zo wordt geen aandacht gegeven aan de duur van het verblijf van de ouders in Nederland en de positie die zich hebben verworven en wordt niet aangegeven in hoeverre verweerder in de beoordeling heeft betrokken dat de andere kinderen van referent sinds 1989 in Nederland verblijven, het Nederlanderschap hebben verworven en (deels) in Nederland hun eigen gezin hebben gesticht. Dat die andere kinderen ten tijde van de bestreden beschikking al meerderjarig waren maakt niet dat deze kinderen geheel irrelevant zijn geworden, al was het maar omdat de worteling van hun andere kinderen in dit land het voor de ouders van eiseres zwaarder maakt om hun bestaan in Nederland in te ruilen voor een bestaan in Turkije. Gezien de zaak Sen lijkt het EHRM aspecten die verweerder wel van belang heeft geacht, nu juist niet van doorslaggevend belang te achten. Beroep gegrond.
Rechters
In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.
Advocaten
- A.A. Spoel
- C.F. Roza
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
