ECLI:NL:RBSGR:2002:AE7959
Rechtbank 's-Gravenhage · 05-07-2002 · zaaknummer AWB 02/20897
Inhoudsindicatie
Ongewenstverklaring / afhankelijk vluchtelingschap. Iraanse verzoeker heeft op 27 november 1997 aanvragen gedaan om toelating als vluchteling en om verlening van een vtv op grond van klemmende redenen van humanitaire aard. Bij beschikking van 12 november 1999 is verzoeker ongewenst verklaard, omdat hij bij rechterlijk gewijsde is veroordeeld wegens het opzettelijk begaan van een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie maanden of meer is bedreigd. De voorzieningenrechter overweegt dat verzoeker, die destijds als minderjarig kind met zijn moeder is meegereisd, 'in beginsel’ vluchteling is, nu uit de bestreden beschikking volgt dat verzoekers moeder inmiddels in Nederland is toegelaten als vluchteling. Verweerder heeft eveneens vastgesteld dat verzoeker 'in beginsel' als vluchteling wordt toegelaten. Verweerder heeft vervolgens beoordeeld of verzoeker thans als vluchteling dient te worden toegelaten. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat van toelating kan worden afgezien op grond van artikel 33, tweede lid, Vluchtelingenverdrag omdat verzoeker ongewenst is verklaard wegens het plegen van eerdergenoemd misdrijf, waardoor verzoeker een gevaar vormt voor de openbare orde en de openbare rust. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder ten aanzien van de vraag of verzoeker thans voor toelating in aanmerking komt, het juiste toetsingskader heeft gehanteerd en op goede gronden heeft kunnen oordelen dat verzoeker niet kon worden toegelaten omdat hij wegens het begaan van het misdrijf een gevaar vormt voor de openbare orde. Verweerder heeft eveneens op goede gronden kunnen oordelen dat verzoeker wegens het plegen van eerdergenoemd misdrijf ongewenst kon worden verklaard. Nu verzoeker echter 'in beginsel' als vluchteling wordt toegelaten, heeft dit naar het oordeel van de voorzieningenrechter tot gevolg dat bij terugzending naar Iran wellicht het gevaar bestaat dat artikel 3 EVRM zal worden geschonden. Verweerder heeft dienaangaande slechts in algemene bewoordingen overwogen dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer zal worden onderworpen aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. Verweerder heeft in de bestreden beschikking niets overwogen ten aanzien van de werkelijke risico’s die verzoeker loopt wanneer hij naar Iran zou worden verwijderd, terwijl verweerder hem daar ook niet over heeft verhoord. Het is evenwel denkbaar dat verzoeker vanwege de familierelatie met zijn ouders problemen zou kunnen ondervinden in Iran. Nu aan verzoeker enerzijds geen verblijfsvergunning asiel kan worden verleend omdat zich een weigeringsgrond heeft voorgedaan en hij ongewenst is verklaard terwijl hij anderzijds in beginsel niet meer naar zijn land van herkomst kan worden verwijderd, past een uitvoerige en specifieke belangenafweging die in het bestreden besluit ontbreekt. De bestreden beschikking kan derhalve niet worden gedragen door de motivering die verweerder daaraan ten grondslag heeft gelegd. Toewijzing verzoek, beroep gegrond.
Rechters
Advocaten
- I.D. Michel
- W. de Kleine
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
