Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE6976

Rechtbank 's-Gravenhage · 15-07-2002 · zaaknummer AWB 01/2217 WW

Bestuursrecht; Bestuursrecht; SocialezekerheidsrechtGepubliceerd 04-04-2013
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Eindbeschikking van kantonrechter is, anders dan diens tussenbeschikking, beschikking tot ontbinding van arbeidsovereenkomst a.b.i. art. 16.3 WW. Verweerder meent dat als begindatum van de fictieve opzegtermijn 16 februari 2001 moet worden genomen, nu de kantonrechter de arbeidsovereenkomst bij beschikking van 15 februari heeft ontbonden. Eiser is van oordeel dat als begindatum 26 januari 2001 moet worden genomen, aangezien de kantonrechter bij tussenbeschikking van 25 januari 2001 heeft aangekondigd de arbeidsovereenkomst per 1 maart 2001 te ontbinden. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de beschikking van 15 februari 2001 de beschikking tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst is als bedoeld in art. 16.3 WW. De beschikking van 25 januari 2001 was slecht de aankondiging van het voornemen als bedoeld in art. 7:685.9 BW. Indien de werkgeefster voor 15 februari 2001 het ontbindingsverzoek had ingetrokken, was de ontbinding niet uitgesproken. Dat het ook regelmatig gebeurt dat kantonrechters, in plaats van een tussenbeschikking met een voornemen tot ontbinding, een eindbeschikking wijzen waarbij de ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt uitgesproken, tenzij de werkgever het verzoek binnen een in de beschikking aan te geven periode intrekt, maakt dit niet anders. Een dergelijke eindbeschikking is namelijk wel de beschikking tot ontbinding als bedoeld in art. 16.3 WW. Weliswaar heeft eiser verwezen naar de brief van de minister van SoZaWe aan de Tweede Kamer van 7 oktober 1997 met een reactie op het commentaar van de Werkgroep Ontslagrecht (zonder kamerstuknummer; gepubliceerd in “Flexibiliteit en zekerheid. Parlementaire geschiedenis van de Wet flexibiliteit en zekerheid” door mr. S.W. Kuip en mr. C.G. Scholtens, Deventer 1999, p. 1086), waarin wordt gesteld dat het feit dat in een aantal gevallen in eerste instantie een tussenbeschikking en later een eindbeschikking wordt gegeven niet problematisch is omdat de ontbinding alsdan in de tussenbeschikking wordt uitgesproken en de eindbeschikking slechts dient ter bekrachtiging van de eerdere beschikking, maar de rechtbank oordeelt deze uitleg uitdrukkelijk in strijd met het bepaalde in art. 7:685.9 BW. De rechtbank realiseert zich dat door de verschillende wijzen van behandeling van ontbindingsverzoeken door kantonrechters in gelijke gevallen verschillende begindata van de fictieve opzegtermijn gelden. De wet staat echter geen andere uitleg toe. De datum van de beschikking tot ontbinding is doorslaggevend. Er bestaat ten aanzien van het vast stellen van de begindatum van de fictieve opzegtermijn geen beleidsvrijheid voor verweerder. Beroep ongegrond. De Raad van bestuur van het UWV, verweerder. mr. D. de Loor

Rechters

In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.