ECLI:NL:RBSGR:2002:AE5343
Rechtbank 's-Gravenhage · 11-07-2002 · zaaknummer AWB 01/46827 BEPTDN H, 01/46830
Inhoudsindicatie
Angola / humanitaire situatie / uvv-beleid In geschil is of verweerder in redelijkheid kon besluiten aan de Angolese eiser geen voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv) af te geven c.q. een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid aanhef en onder d Vw. Uit met name de hoofdstukken 4.1 en 4.3 van de indicatorenbrief en de daarbij behorende bijlage kan worden afgeleid dat de Staatssecretaris binnen zijn beleid de mogelijkheid heeft ook rekening te houden met de humanitaire situatie in het land van herkomst bij de bepaling of een vvtv-beleid dient te worden gevoerd. De rechtbank kan in het ambtsbericht 2001, ook in vergelijking met het ambtsbericht van 2000 geen grondslag vinden voor het oordeel van verweerder dat in Angola sprake is van een verbetering in de algehele en mensenrechtensituatie. In de periode tussen 20 augustus 1998 en 1 juni 2001, dat wil zeggen gedurende een periode van bijna drie jaar, heeft de Staatssecretaris een uvv-beleid gevoerd, daar waar ook ingevolge het eigen beleid van de Staatssecretaris een uvv-beleid slechts dan de aangewezen weg is indien er sprake is van onzekerheid met betrekking tot een bepaald land. In die periode is regelmatig overleg geweest tussen de Staatssecretaris en de Tweede Kamercommissie over het te voeren beleid met betrekking tot Angola. Op basis van de verslagen van dit overleg kan niet anders geconcludeerd worden dan dat de herhaalde opschorting van de beëindiging van het uvv-beleid (voornamelijk) haar grondslag vond in de slechte humanitaire situatie in Angola. Verweerder kan in redelijkheid niet staande houden dat ten aanzien van Angola uitsluitend een uvv-beleid is gevoerd om redenen van onzekerheid omtrent de veiligheidssituatie. Verweerder heeft het op grond van de humanitaire situatie kennelijk nodig gevonden gedurende langere tijd voor Angola enige vorm van beschermingsbeleid te voeren. Wordt daarbij in aanmerking genomen dat volgens het door verweerder gehanteerde toetsingskader de humanitaire omstandigheden relevant zijn en dat ook uit de ambtsberichten blijkt dat de veiligheid en de humanitaire situatie in Angola aanhoudend zeer slecht zijn geweest, dan is niet inzichtelijk geworden waarom verweerder naar aanleiding van de ambtsberichten van 26 juni 2000 en 4 mei 2001 niet is overgegaan tot het voeren van een vvtv beleid. Deze ambtsberichten gaven verweerder voldoende zekerheid omtrent de situatie in Angola, terwijl daaruit in het geheel niet blijkt van een verbetering. De beslissing van verweerder om geen vvtv c.q. verblijfsvergunning voor bepaalde tijd af te geven mist derhalve een draagkrachtige motivering, ook al wordt deze met de vereiste terughoudendheid beoordeeld. De bestreden beschikking kan derhalve wegens strijd met artikel 7:12 Awb niet in stand blijven.
Advocaten
- D.S. van Asperen
- E.P.A. Zwart
- R. Mackor
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
Staatssecretaris van Justitie
verweerder · overheid
Overheidspartijen
Staatssecretaris van Justitie
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
