ECLI:NL:RBSGR:2002:AE3420
Rechtbank 's-Gravenhage · 10-05-2002 · zaaknummer AWB 01/25131
Inhoudsindicatie
Overgangsrecht / vluchtelingenstatus. Verweerder heeft het bezwaar van eiseres, afkomstig uit Burundi, bij beschikking van na 1 april 2001 niet-ontvankelijk verklaard, aangezien eiseres inmiddels in het bezit is gekomen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw 2000. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld; verweerder heeft zich beroepen op de uitspraken van de Raad van State van 5 en 28 maart 2002. De rechtbank is van oordeel dat de hoofdregel dat een bestuursorgaan bij de beslissing op bezwaar moet uitgaan van de ten tijde van die beslissing geldende feiten en omstandigheden en van het op dat tijdstip vigerende recht en beleid, niet wegneemt dat verweerder bij de beslissing op bezwaar ook een oordeel moet geven over de rechtmatigheid van het primaire besluit. Verweerder dient bij zijn heroverweging in bezwaar dan ook acht te slaan op een eventuele verblijfsaanspraak in de periode gelegen voor 1 april 2001. Dit gelet op de aard van de aanspraak en in aanmerking genomen de omstandigheid dat in de onderhavige bezwaarprocedure een primair besluit genomen op basis van het (in casu mogelijk gunstiger) oude rechtsregime voorligt. Indien verweerder bij een te nemen beslissing op bezwaar tot de conclusie zou komen dat het primaire besluit onrechtmatig is genomen, zou verweerder hiervoor aan eiseres een vorm van compensatie dienen te bieden. Nu de Vw 2000 (uiteraard) niet in deze situatie voorziet, ligt het in de rede om in dat geval aansluiting te zoeken bij artikel 115 Vw en analoge toepassing te geven aan dit artikel door te handelen alsof de vreemdeling op 1 april 2001 in het bezit was van een vtv zonder beperkingen. Eiseres heeft dan ook belang bij dat in de beslissing op bezwaar vast komt te staan of de door verweerder genomen beslissing op de aanvraag de juiste is geweest. De uitspraken van de Afdeling leiden niet tot een ander oordeel. De onderhavige zaak wijkt op essentiële onderdelen af van de zaak die geleid heeft tot de uitspraak 200106237/1 van de ABRS van 5 maart 2002 waarin de vreemdeling op 1 april 2001 niet beschikte over enige verblijfstitel en waarin geen sprake was van een primaire beschikking genomen voor 1 april 2001, zoals in casu wel het geval is. De uitspraak van 28 maart 2002 is niet relevant voor de beoordeling van de onderhavige zaak. Beroep gegrond.
Advocaten
- E.J.M. Klip
- G.M.H. Hoogvliet
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
Staatssecretaris van Justitie
verweerder · overheid
Overheidspartijen
Staatssecretaris van Justitie
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
