ECLI:NL:RBSGR:2002:AE2661
Rechtbank 's-Gravenhage · 08-03-2002 · zaaknummer AWB 01/3990 OVERIO H
Inhoudsindicatie
Irak / vestigingsalternatief Noord-Irak. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met zijn besluit geen juiste uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van deze rechtbank van 11 oktober 2000. Daaruit volgt dat verweerder bij een nieuw te nemen beslissing diende te beoordelen of eiseres banden heeft met Noord-Irak. Verweerder heeft dit in het bestreden besluit wederom nagelaten. De opmerking in het bestreden besluit dat de gezondheidszorg voor ontheemden in Noord-Irak beschikbaar is, is in dit verband onvoldoende, omdat het voor wat betreft het onderzoek naar de banden van afgewezen Iraakse asielzoekers met Noord-Irak erom gaat of ook de toegang tot andere essentiële basisvoorzieningen is gewaarborgd. Verweerders gemachtigde heeft ter zitting nog gewezen op verweerders beleid in het kader van de beoordeling of een categoriaal beschermingsbeleid dient te worden gevoerd. Met dit betoog gaat verweerder voorbij aan het feit dat de president in de uitspraak van 11 oktober 2000 reeds een finaal oordeel heeft gegeven over de aanspraken van eiseres op een verblijfsvergunning in het kader van verweerders categoriale beschermingsbeleid. In dezelfde uitspraak heeft de rechtbank tevens in voor de onderhavige partijen bindende zin - tegen de uitspraak stond immers geen rechtsmiddel open - uitgesproken dat voor de beoordeling of eiseres in aanmerking komt voor een vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard relevant is of eiseres banden heeft met Noord-Irak. Verweerder heeft in het bestreden besluit aan dit deel van de uitspraak geen uitvoering gegeven. Voor zover eiseres zich op het standpunt stelt dat zij als gevolg van het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar door verweerder schade heeft geleden door het niet kunnen verkrijgen van huisvesting en werk en het betalen van de kosten van de opleiding van haar zoon, dient dit standpunt te worden verworpen nu het niet vast staat of en met ingang van welke datum eiseres aanspraak hebben op een verblijfsvergunning. Voorts stelt eiseres dat zij immateriële schade heeft geleden door de weigering van verweerder tijdig na de uitspraak van 11 oktober 2000 een nieuwe beslissing te nemen. De door eiseres ervaren onzekerheid kan echter niet worden aangemerkt als een aantasting van haar persoon in de zin van artikel 6:106 BW. Beroep gegrond.
Advocaten
- A.W. van Leeuwen
- C.J.M. Dreessen
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
Staatssecretaris van Justitie
verweerder · overheid
Overheidspartijen
Staatssecretaris van Justitie
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
