Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE2487

Rechtbank 's-Gravenhage · 28-03-2002 · zaaknummer AWB 01/1244 ABW

Bestuursrecht; Bestuursrecht; SocialezekerheidsrechtGepubliceerd 04-04-2013
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Omstandigheid dat WW-uitkering, gelet op art. 26 IVBPR, niet met toepassing Koppelingswet kon worden beëindigd, brengt niet mee dat aansluitend een Abw-uitkering moest worden toegekend. Afwijzing aanvraag Abw-uitkering, aangezien eisers niet rechtmatig in Nederland verblijven las bedoeld in art. 7.2 Abw en evenmin met een Nederlander kunnen worden gelijkgesteld. De rechtbank stelt vast dat A op 1 juli 1998 een WW-uitkering genoot en zijn verblijfsrechtelijke procedure in Nederland mocht afwachten. Hij behoorde dan ook tot de groep vreemdelingen ten aanzien van wie de WW-uitkering, gelet op art. 26 van het IVBPR, niet met toepassing van de Koppelingswet kon worden beëindigd. Eiser heeft zijn WW-uitkering gedurende de gehele periode dat hij hierop recht had, tot 29 augustus 2000, ook daadwerkelijk behouden. De omstandigheid dat de WW-uitkering van A, gelet op art. 26 IVBPR, niet met toepassing van de Koppelingswet kon worden beëindigd, brengt naar het oordeel van de rechtbank evenwel niet mee dat aan eisers, zoals zij stellen, aansluitend een bijstandsuitkering had behoren te worden toegekend. Ten aanzien van B kan deze stelling reeds hierom geen doel treffen, nu niet zij maar haar man een WW-uitkering heeft gehad. Maar ook ten aanzien van A reikt de bescherming van art. 26 van het IVBPR niet zover als eisers veronderstellen. Nu immers in het kader van de Abw geen sprake is van een situatie waarin de gevolgen van niet-gelegaliseerd verblijf, welke art. 7 Abw bedoelt te voorkomen, reeds waren ingetreden - het gaat hier om de weigering een bijstandsuitkering toe te kennen en niet om de beëindiging van een bestaande bijstandsuitkering - is er geen plaats voor het oordeel dat deze weigering niet kan worden aangemerkt als een geschikt en noodzakelijk middel om het gestelde doel van art. 7 Abw te bereiken. Verweerster heeft het in deze bepaling gemaakte onderscheid naar nationaliteit in het geval van eiser dan ook terecht gerechtvaardigd geacht. De enkele omstandigheid dat eiser, die ook ten tijde van de zitting nog immer zijn verblijfsrechtelijke procedure mocht afwachten, thans wellicht nog recht op een bijstandsuitkering zou hebben gehad als reeds vóór 1 juli 1998 zijn WW-uitkering zou zijn beëindigd en hem een bijstandsuitkering zou zijn toegekend, kan er niet aan afdoen dat eisers bijstandsaanvraag feitelijk na de inwerkingtreding van de Koppelingswet is ingediend en verweerster deze aanvraag met inachtneming van art. 7 Abw, zoals dit artikel met ingang van 1 juli 1998 was komen te luiden, diende toe te passen. Ongegrond beroep.

Rechters

In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.

Partijen

  • Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Den Haag

    verweerster · overheid

Overheidspartijen

  • Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Den Haag

    verweerster

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.