ECLI:NL:RBSGR:2002:AE2021
Rechtbank 's-Gravenhage · 15-02-2002 · zaaknummer AWB 02/8079 VRONTN
Inhoudsindicatie
Bewaring / kennisgeving. Bij uitspraak van 9 januari 2002 heeft de rechtbank het beroep tegen het voortduren van de maatregel van artikel 6 Vw 2000 niet-ontvankelijk verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen omdat de kennisgeving van het voortduren van de vrijheidsontneming op 20 december 2001 is ontvangen en dat is, gegeven het gestelde in artikel 96, vijfde lid Vw 2000, voortijdig gelet op het feit dat de kennisgeving is gedaan op de dag van de mondelinge uitspraak van 20 december 2001. De kennisgeving als bedoeld in artikel 96, vijfde lid, Vw 2000 in onderhavig beroep is gedateerd 30 januari 2002. Thans ligt voor de vraag welke uitspraak bepalend is voor de aanvang van de termijn van vier weken waarbinnen de kennisgeving voornoemd dient te worden gedaan. Op grond van de tekst van artikel 96, derde jo. vijfde lid, Vw 2000 kan gesteld worden dat iedere uitspraak, dus ook de niet-ontvankelijk verklaring van het beroep, in het kader van het voortduren van de maatregel als aanvang van die termijn kan dienen. Ter ondersteuning van die stelling kan dienen dat alleen voor het eerste beroep tegen het voortduren van de maatregel het dictum nader is omschreven, ongegrond beroep, in de eerste volzin van het eerste lid van artikel 96 Vw 2000. Deze volzin is niet van overeenkomstige toepassing verklaard voor de beroepen na dat eerste vervolgberoep. Voor de rechtbank is echter van doorslaggevende betekenis dat in geval van het voortduren van de maatregel, deze maatregel periodiek wordt getoetst. Bij de totstandkoming van het vijfde lid is dan ook gesproken over een 'perpetuum mobile' (zie Kamerstukken II 1999-2000, 26732, nr. 3, p. 89). Dit betekent dat, na een kennisgeving door verweerder of een beroep door de vreemdeling, steeds een materiële toetsing door de rechtbank dient plaats te vinden, meer bepaald dient te worden getoetst of verweerder voldoende voortvarend handelt en er een reëel uitzicht is op uitzetting. Bij uitspraak van 9 januari 2002 heeft geen materiële toetsing als hiervoor omschreven plaatsgevonden. De rechtbank is van oordeel dat derhalve voor aanvang van de termijn dient te worden uitgegaan van de uitspraak van 20 december 2001. Beroep gegrond.
Rechters
Advocaten
- H.A. Kater
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
Staatssecretaris van Justitie
verweerder · overheid
Overheidspartijen
Staatssecretaris van Justitie
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
