ECLI:NL:RBSGR:2002:AE1990
Rechtbank 's-Gravenhage · 21-03-2002 · zaaknummer AWB 00/7233, 00/7234
Inhoudsindicatie
Somalië / Reer Hamar / categoriale bescherming. De rechtbank stelt voorop dat verweerder voor wat betreft de vraag of aanleiding bestaat een vvtv-beleid te voeren, gelet op het bepaalde in artikel 12b Vw, een ruime beleids- en beoordelingsvrijheid heeft, welke door de rechter slechts marginaal kan worden getoetst. De in de brief van 3 april 2000 neergelegde beleidswijziging is gebaseerd op het algemene ambtsbericht van 16 februari 2000. Aan deze beleidswijziging ligt de gedachte ten grondslag dat met name in de relatief veilige gebieden in Somalië sprake is van een toenemende effectiviteit van de regionale besturen in het handhaven van de veiligheid in de onder hun controle staande gebieden. De noodzaak van bescherming door de eigen clan(familie) is hierdoor verminderd en niet in alle gevallen meer noodzakelijk. De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft in de uitspraak AWB 00/6191 van 19 april 2001 overwogen dat zij onvoldoende aanknopingspunten heeft kunnen vinden voor het oordeel dat het ambtsbericht van 16 februari 2000 niet kan dienen als onderbouwing van de beleidswijziging van 3 april 2000, ten aanzien van leden van de Reer Hamar. De door eisers overgelegde informatie dateert van na deze uitspraak en is derhalve niet bij de uitspraak van 19 april 2001 meegewogen, zodat beoordeeld moet worden of deze informatie aanleiding vormt voor een ander oordeel. De ABRS heeft bij uitspraken van 14 januari 2002 (nr. 2001053812/1) en 31 januari 2002 (nr. 20010209/1) geoordeeld dat geen grond bestaat om te oordelen dat verweerder ten aanzien van minderheidsgroepen niet in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat terugkeer naar, dan wel verblijf in, het noorden van Somalië in verband met de algehele situatie aldaar niet van bijzondere hardheid is. De ABRS heeft bij deze uitspraken de ambtsberichten van 16 februari 2000 en 12 juni 2001, de door eisers aangehaalde brieven van Amnesty International en de berichten van de BBC over de situatie in de stad Garowe betrokken. Het standpunt van de UNHCR te Nürnberg is niet anders dan het in eerdergenoemde ambtsberichten weergegeven UNHCR-standpunt, zodat ook dit standpunt bij de beoordeling van de mogelijkheid van een verblijfsalternatief in het noorden van Somalië is meegenomen. Hieruit volgt dat eisers in onderhavige procedure enkel informatie hebben ingebracht die de ABRS reeds bij haar uitspraken van 14 januari 2002 en 31 januari 2002 heeft meegewogen. Onder verwijzing naar deze uitspraken van de ABRS is de rechtbank dan ook van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voor leden van de Reer Hamar in Somalië een verblijfsalternatief in het noorden van Somalië bestaat. Beroep ongegrond. NB: Op dezelfde datum heeft de MK Zwolle nog twee vergelijkbare uitspraken gedaan. Eén uitspraak (AWB 00/8102) had betrekking op een lid van de Boon (een minderjarigheidsgroepering); de andere uitspraak (AWB 02/16508) had betrekking op een lid van de Galgale, die strikt genomen geen minderheidsgroepering vormen maar zich volgens de uitspraak wel in een vergelijkbare situatie bevinden.
Advocaten
- A. Portier
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
