ECLI:NL:RBSGR:2002:AE1465
Rechtbank 's-Gravenhage · 02-04-2002 · zaaknummer AWB 00/69949
Inhoudsindicatie
Overgangsrecht / doorprocederen / procesbelang. Eiser bezit de Afghaanse nationaliteit. Op zijn aanvraag om toelating als vluchteling is afwijzend beslist. Aan eiser is een vvtv verleend. Op grond van artikel 115, zesde lid, Vw 2000 per 1 april 2002 is de vvtv onder handhaving van de geldigheidsduur, aangemerkt als een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 Vw 2000, te weten een verblijfsvergunning bepaalde tijd asiel. Nu eiser een verblijfsvergunning bepaalde tijd asiel heeft, kan belang bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep slechts bestaan, indien de uitspraak kan leiden tot toekenning van een verblijfsvergunning onbepaalde tijd asiel, dan wel indien eiser door de niet-verlening van de door hem gewenste vluchtelingenstatus schade heeft geleden. De Vw 2000 heeft geen overgangsrechtelijke bepaling voor het geval waarin, na vernietiging door de rechter van een voor 1 april 2001 op basis van de Vw 1965 genomen beslissing, een nieuwe beslissing genomen moet worden. Gelet hierop moet in beginsel er van uitgegaan worden dat dan de Vw 2000 onmiddellijke werking heeft, hetgeen betekent dat op de nieuw te nemen beslissing de Vw 2000 van toepassing is. Eiser heeft zijn stelling dat hij recht heeft op een verblijfsvergunning onbepaalde tijd asiel mede gebaseerd op het beginsel van rechtsherstel, in die zin dat hij alsnog in de positie dient te worden gebracht waarin hij zou verkeren indien voor 1 april 2001 een juiste beslissing zou zijn genomen, te weten toelating als vluchteling. De rechtbank is evenwel van oordeel dat voor het door eiser bepleite rechtsherstel geen aanleiding is. Eiser is met ingang van de datum van zijn aanvraag hier te lande toegelaten middels verlening van een vvtv. Hij heeft derhalve vanaf dat moment alhier bescherming door de Nederlandse staat verkregen en die duurt nog immer voort. In die situatie kan er slechts belang zijn bij rechtsherstel indien eiser door het niet-verlenen van de vluchtelingenstatus schade heeft geleden. In het geval van eiser is dat echter gesteld noch gebleken. De enkele omstandigheid dat hij alsdan met ingang van 1 april 2001 in het bezit zou zijn geweest van een verblijfsvergunning onbepaalde tijd asiel, valt naar het oordeel van de rechtbank niet als schade aan te merken. De stelling van eiser dat hij procesbelang heeft omdat hem in een eventuele volgende procedure de formele rechtskracht van de thans voorliggende beslissing op bezwaar zal worden tegengeworpen, volgt de rechtbank evenmin. Het beginsel van de formele rechtskracht is een rechtsordenend beginsel, waarvan de toepassing door de rechter bepaald wordt en waarop uitzonderingen kunnen worden aangenomen. In dit verband is van belang dat in het in de Vw 2000 neergelegde systeem en de toelichting daarop ligt besloten dat, indien een verblijfsvergunning asiel die op een bepaalde grond is verleend wordt ingetrokken, in een procedure daartegen geen sprake is van formele rechtskracht, in die zin dat zou moeten worden aangenomen dat sprake is van een onherroepelijke weigering de vergunning op een van de andere in artikel 29 Vw 2000 genoemde gronden te verlenen. Derhalve kan de vraag of recht bestaat op een verblijfsvergunning op een van deze (andere) gronden in een procedure tegen de intrekking van de vergunning ten volle aan de orde komen. De rechtbank is van oordeel dat hiervan ook in een geval als het onderhavige, waarin de verblijfsvergunning is verleend op grond van het overgangsrecht dient te worden uitgegaan. Verweerder zal derhalve niet de formele rechtskracht van de ten aanzien van eiser reeds genomen beslissing op bezwaar kunnen tegenwerpen. Wel kan verweerder alsdan zijn in deze beslissing neergelegde standpunt herhalen, maar daartegen kan dan in volle omvang in rechte worden opgekomen. Eiser verkeert daarmee processueel in een zelfde situatie, zoals die ook voor nieuwe gevallen, met een bestuurlijke besluitvorming die - geheel of ten dele - plaatsvindt onder de Vw 2000, is beoogd. Beroep niet-ontvankelijk.
Rechters
Advocaten
- A.W. van Leeuwen
- C.F. Roza
- I. PROCESVERLOOP
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
Staatssecretaris van Justitie
verweerder · overheid
Overheidspartijen
Staatssecretaris van Justitie
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
