ECLI:NL:RBSGR:2002:AD9750
Rechtbank 's-Gravenhage · 09-01-2002 · zaaknummer AWB 01/55376
Inhoudsindicatie
Bewaring / schadevergoeding / kennisgeving. Verweerder heeft op 26 oktober 2001 de bewaring van de vreemdeling opgeheven. Na de uitspraak van de rechtbank van 23 augustus 2001 zijn vier weken verstreken, zonder dat aan de rechtbank een (vervolg)kennisgeving is toegezonden als bedoeld in artikel 96 Vw 2000. De vraag of en in welke mate de vreemdeling als gevolg van schending van dit voorschrift aanspraak heeft op schadevergoeding. De rechtbank stelt voorop dat, voorzover het betoog van verweerder wordt ingegeven door de gedachte dat slechts sprake is 'van een administratieve omissie of een louter formeel verzuim', deze redenering niet kan worden gevolgd. De ambtshalve kennisgeving vormt de hoeksteen van het in de Vw 2000 ge ntroduceerde stelsel, dat voorziet in een periodieke rechterlijke toetsing omtrent de toelaatbaarheid van het voortduren van de vreemdelingenbewaring, zonder dat namens de vreemdeling om die toetsing is verzocht. Het niet verzenden van de kennisgeving leidt er mede toe dat een bestuurlijke heroverweging met het voortduren van de maatregel achterwege blijft, althans op dat moment niet op voor de vreemdeling kenbare wijze plaatsvindt. Het niet naleven van de kennisgevingsverplichting acht de rechtbank dan ook een zodanig wezenlijke tekortkoming dat deze het voortduren van de bewaring onrechtmatig maakt. De rechtbank stelt vast dat verweerder in gevallen als deze, ogenblikkelijk nadat hem gebleken is dat evengenoemde verplichting niet is nageleefd, tot opheffing van de bewaring overgaat. Aan het voorgaande dient de gevolgtrekking te worden verbonden dat de bewaring van de vreemdeling vanaf 20 september 2001 onrechtmatig is, zijnde de dag volgend op de dag waarop ingevolge lid 5, juncto artikel 96, eerste lid, Vw 2000 tot kennisgeving had behoren te worden overgegaan. De rechtbank begrijpt het standpunt van verweerder aldus dat in een situatie als de onderhavige een schadevergoedingsplicht eerst intreedt vanaf het tijdstip waarop de vreemdeling zelf tot indiening van een beroepschrift overgaat. De redenering gaat echter voorbij aan de omstandigheid dat artikel 96 Vw 2000 tot de wezenlijke waarborgen behoort waarmee de vrijheidsontneming is omgeven. Het standpunt van verweerder komt erop neer dat de zich in vreemdelingenbewaring bevindende vreemdeling er niet op mag vertrouwen dat een periodieke en ambtshalve herbeoordeling als door de wetgever voorzien plaatsvindt, maar er zelf op heeft toe te zien dat dit daadwerkelijk gebeurt. De rechtbank is van oordeel dat voor een dergelijk standpunt, wil de strekking van de regeling geen geweld worden aangedaan, in redelijkheid pas plaats kan zijn indien een significante periode ongebruikt is verstreken. Als richtsnoer kan daarbij worden aangehouden een periode van drie weken sedert het moment dat naar aanleiding van de kennisgeving de zitting zou hebben plaatsgevonden, indien verweerder niet in verzuim was geweest. Een dergelijke termijn komt in de praktijk grosso modo overeen met een periode, eindigend negen weken na de datum van de voorafgaande uitspraak van de rechtbank. Toepassing gevend aan deze negen-wekentermijn stelt de rechtbank vast dat in het onderhavige geval de gemachtigde van de vreemdeling met het indienen van zijn beroepschrift tijdig tot actie is overgegaan, zodat de primaire stelling van verweerder faalt. Het zojuist overwogene wil niet zeggen dat er om andere redenen geen grond kan bestaan tot matiging van de schadevergoeding. In het onderhavige geval is gesteld, noch gebleken dat verweerder in de periode van 23 augustus tot 21 september 2001 onvoldoende voortvarendheid heeft betracht bij de voorbereiding van de uitzetting van de vreemdeling. Ook overigens is niet gebleken van omstandigheden die verweerder op laatstgenoemde datum tot opheffing van de bewaring hadden moeten doen besluiten. Dit betekent dat bij een correcte naleving van voornoemd artikel 96 Vw 2000 de bewaring na 20 september 2001 zou hebben voortgeduurd. Deze omstandigheden rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf bezien een matiging met vijftig procent. Voorts acht de rechtbank niet van belang ontbloot dat de vreemdeling in de periode voorafgaand aan de datum waarop zijn bewaring had behoren te worden opgeheven, actief de voorbereiding van zijn uitzetting heeft gefrustreerd door te weigeren zich te laten presenteren bij de Marokkaanse autoriteiten. Ook in een eerder stadium heeft de vreemdeling door eenzelfde opstelling een presentatie bij de Egyptische autoriteiten gefrustreerd. Een dergelijke houding wettigt een matiging van de verplichting tot schadevergoeding. De rechtbank acht op dit onderdeel een nadere matiging met 25 procent aangewezen. In de door verweerder genoemde omstandigheid dat de vreemdeling door zijn illegaal verblijf welbewust het risico heeft genomen om in bewaring te worden gesteld, ziet de rechtbank geen genoegzame grond om de schadevergoeding tot nihil te matigen. Beroep gegrond.
Advocaten
- J.M.R. Maas
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
Staatssecretaris van Justitie
verweerder · overheid
Overheidspartijen
Staatssecretaris van Justitie
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
