ECLI:NL:RBSGR:2001:AD7601
Rechtbank 's-Gravenhage · 16-10-2001 · zaaknummer AWB 01/50097
Inhoudsindicatie
Bewaring / staandehouding / binnentreden. De rechtbank heeft in het onderhavige geding voldoende inzicht verkregen in de gang van zaken met betrekking tot het binnentreden van de politieambtenaren in een woning. Daargelaten of dit tot het oordeel kan leiden dat de latere staandehouding op grond van artikel 50, eerste lid, Vw 2000 onrechtmatig is, is gesteld noch gebleken dat de woning tegen de wil van de bewoners is betreden. De politieambtenaren zijn immers door een van de bewoners in het bezit gesteld van de voordeursleutel opdat persoonlijke bezittingen konden worden opgehaald. Er bestond daarmee toestemming van een bewoner. De bewoner die vervolgens de deur opende nadat de agenten hadden aangebeld heeft de politieambtenaren de toegang niet ontzegd. Gesteld noch gebleken is dat niet is voldaan aan de legitimatieplicht. In het proces-verbaal van staandehouding is verslag gedaan van de betreding van de woning. Bij de betreding is het doel van het binnentreden kenbaar gemaakt. Dat in de woning aanwezig zijnde behoefte bestond - naast het ophalen van persoonlijke bezittingen van een bewoner - om vreemdelingentoezicht uit te oefenen maakt de aanwezigheid van de ambtenaren in de woning niet onrechtmatig. Aangezien de vreemdeling ten overstaan van de wijkagent verklaarde van Pakistaanse afkomst te zijn en illegaal in Nederland te verblijven, waren de politieambtenaren op grond van artikel 50, eerste lid, Vw 2000 bevoegd de vreemdeling staande te houden ter vaststelling van zijn identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie. Voorts heeft verweerder zich ter zitting nog op het standpunt gesteld dat de bevoegdheid van de politieambtenaren tot het betreden van de woning in dit geval subsidiair (mocht de rechtbank oordelen dat naast de feitelijke afwezigheid van een machtiging er geen toestemming bestond tot het bestreden van de woning) gegeven is met de bevoegdheid neergelegd in artikel 53, eerste lid, Vw 2000. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat door de verklaringen van de eerder strafrechtelijk aangehouden twee bewoners van het onderhavige adres een redelijk vermoeden bestond dat aldaar een vreemdeling verbleef die geen rechtmatig verblijf had. Nu echter niet uit een proces-verbaal blijkt dat met die bevoegdheid voor ogen de woning is betreden houdt de rechtbank het erop dat deze bevoegdheid in dit geval niet is gebruikt. Gelet op het vorenstaand overwogene, doet deze vaststelling niet af aan de vorenstaand vastgestelde rechtmatigheid van de staandehouding op grond van artikel 50, eerste lid, Vw 2000. Beroep ongegrond.
Rechters
Advocaten
- D. Grip
- E.M. van de Sande Bakhuijzen
- I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
Staatssecretaris van Justitie
verweerder · overheid
Overheidspartijen
Staatssecretaris van Justitie
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
