ECLI:NL:RBSGR:2001:AD6979
Rechtbank 's-Gravenhage · 20-04-2001 · zaaknummer AWB 00/67412
Inhoudsindicatie
Dublinclaim / herhaalde aanvraag. In casu gaat het om een herhaalde asielaanvraag. Op de eerste aanvragen van verzoekers, afkomstig uit de Federatieve Republiek Joegoslavië, is reeds onherroepelijk beslist. De aanvragen zijn niet-ontvankelijk verklaard op basis van artikel 15b, eerste lid, aanhef en onder a Vw. De president oordeelt dat artikel 3, vierde lid, OvD verweerder de bevoegdheid geeft om de verantwoordelijkheid voor de behandeling van de asielaanvraag aan zich te trekken.In het kader van deze bepaling voert verweerder het beleid zoals is neergelegd in hoofdstuk C1/2.3.3 Vc 2000. De president acht dit beleid niet kennelijk onredelijk. In geval twee of meer landen, waaronder Nederland, verantwoordelijk zijn voor de behandeling van de asielaanvragen van leden van één gezin neemt Nederland ingevolge dit beleid onder bepaalde omstandigheden een asielaanvraag, waarvoor Nederland zelf niet verantwoordelijk is, zelf in behandeling op grond van artikel 3, vierde lid, OvD. Het geschil spitst zich toe op de vraag of in deze zaak de omstandigheden zodanig zijn dat verweerder gebruik had dienen te maken van zijn bevoegdheid de asielaanvragen in behandeling te nemen. Gelet op de verklaringen die verzoekers hebben afgelegd over hun problemen van emotionele aard en die met betrekking tot hun gezondheidssituatie, die deels zijn terug te voeren op het feit dat verzoekers hun echtgenoot en kinderen respectievelijk moeder, zusje en broertje uit het oog zijn verloren tijdens de vlucht uit Kosovo, in onderlinge samenhang beoordeeld met hetgeen verzoeker ter zitting heeft toegelicht over de verlatingsangst bij de kinderen, oordeelt de president dat in deze specifieke zaak strikte toepassing van het beleid, met name daar waar het gaat om het vereiste dat gezinsleden aantoonbaar gelijktijdig naar Nederland moeten zijn gereisd - alle wederzijdse belangen in aanmerking nemend - ertoe zou leiden dat een onredelijke situatie ontstaat. Aan de ernst van de problemen komt in het kader van deze procedure te meer gewicht toe nu het gezin niet in zijn geheel aan Oostenrijk wordt overgedragen. In zoverre en juist om die reden kan aan een adequate medische behandeling in Oostenrijk, gelet op de aard van de psychische problematiek van verzoekers worden getwijfeld. Het betoog van verweerder dat er geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn aangevoerd die tot andere beschikkingen aanleiding zouden moeten geven omdat van trauma's reeds sprake was ten tijde van de voorgaande procedure treft geen doel. In de uitspraak van 15 maart 2000 is door de fungerend president van deze rechtbank geoordeeld dat verzoekers onvoldoende hadden onderbouwd dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 3, vierde lid, Ovd, aangezien op dat moment alleen een verklaring was overgelegd van een arts die verzoekers niet zelf had gezien. Door de brieven van 23 mei 2000, 26 mei 2000 en 10 november 2000 is naar het oordeel van de president de psychische problematiek qua aard en ernst genoegzaam met diverse stukken onderbouwd. Toewijzing verzoek.
Rechters
Advocaten
- R. Kakes
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
