Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD6768

Rechtbank 's-Gravenhage · 19-11-2001 · zaaknummer AWB 01/58043

Bestuursrecht; VreemdelingenrechtGepubliceerd 04-04-2013
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Bewaring / vertrektermijn. De vreemdeling heeft de Spaanse nationaliteit en beroept zich er op dat hij gemeenschapsonderdaan is. Uit de stukken blijkt dat de vreemdeling geen werk in Nederland had, terwijl gesteld noch gebleken is dat hij anderszins valt onder het vrije personenverkeer in de zin van het EG-verdrag. De vreemdeling kan dan ook niet worden aangemerkt als gemeenschapsonderdaan in de zin van artikel 1, aanhef en onder e Vw 2000, zodat hem geen verblijfsrecht in de zin van artikel 8, aanhef en onder e Vw 2000 toekwam. Daarbij wordt opgemerkt dat gesteld noch gebleken is dat de vreemdeling nog geen zes maanden hier te lande verbleef, gedurende welke termijn het de vreemdeling op grond van het bepaalde in artikel 12 Vw 2000 in samenhang met artikel 3.3, eerste lid, aanhef en onder d Vb 2000 onder voorwaarden is toegestaan hier te lande te verblijven. Voorts wordt overwogen dat voor zover zou moeten worden aangenomen dat de vreemdeling nog géén zes maanden hier te lande verbleef, dit verblijf naar het oordeel van de rechtbank op grond van het bepaalde in artikel 12, eerste lid, aanhef en onder b Vw 2000 niet langer was toegestaan. Op grond van de omstandigheid dat de vreemdeling geen werk had, en bovendien is betrapt op diefstal van levensmiddelen, is de rechtbank met verweerder van oordeel dat hij geen voldoende middelen van bestaan had. De rechtbank is niettemin van oordeel dat het besluit tot inbewaringstelling onrechtmatig is. In artikel 8:13, tweede lid, van het Vb 2000, voorzover hier van belang, is bepaald dat de vreemdeling die onderdaan is van een staat die partij is bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en die geen verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan toekomt dan wel wiens verblijfsrecht is vervallen, niet wordt uitgezet dan nadat hem een termijn van ten minste vier weken is gegund om te vertrekken. Daarvan kan op grond van het vierde lid slechts in dringende gevallen worden afgeweken. Aangezien een vreemdeling, gezien artikel 59, eerste lid, Vw 2000, slechts in bewaring gesteld kan worden met het oog op de uitzetting, volgt uit artikel 8:13 Vb 2000 dat een onderdaan van een staat die partij is bij de Europese Unie, slechts in vreemdelingenbewaring kan worden gesteld, indien is gebleken dat hem geen verblijfsrecht toekomt of zijn verblijfsrecht is vervallen, en tevens de termijn van ten minste vier weken om te vertrekken is verstreken, dan wel is gebleken van een dringend geval. Dat zulks is gebleken, blijkt in het onderhavige geval uit het besluit noch uit de overgelegde stukken. De bewaring is van meet af aan onrechtmatig wegens strijd met voornoemde bepalingen. Beroep gegrond, toekenning schadevergoeding.

Rechters

Advocaten

  • H. Putto

In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.

Partijen

  • Staatssecretaris van Justitie

    verweerder · overheid

Overheidspartijen

  • Staatssecretaris van Justitie

    verweerder

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.