ECLI:NL:RBSGR:2001:AD6741
Rechtbank 's-Gravenhage · 15-08-2001 · zaaknummer AWB 01/4204
Inhoudsindicatie
Gezinshereniging / feitelijke gezinsband. Het geschil spitst zich toe op de vraag wanneer van verbreking van de feitelijke gezinsband sprake is als de ouders zijn gescheiden, en een uit hun huwelijk geboren kind na de echtscheiding in onderling overleg gedurende een aanzienlijk aantal jaren bij de in het buitenland wonende ouder is gebleven tot die ouder, om haar/hem moverende redenen, ook zelf uit het land van herkomst vertrekt en het kind daar achterlaat. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de voor deze situatie geldende uitgangspunten -en zijn eigen beleid- misverstaat c.q. -toepast, indien en voorzover hij ervan uitgaat dat in het enkele feit van dat in onderling overleg bij de moeder laten van het kind voldoende grond is gelegen om tot verbreking van de gezinsband te concluderen. Daarbij is in de onderhavige situatie nog van belang dat de Mudawwanah ervan uitgaat dat het kind de eerste twee jaren na zijn geboorte in beginsel bij de moeder verblijft. Tot een onvoorwaardelijk prijsgeven van de intentie om een kind later eventueel naar Nederland te laten overkomen zal onder dergelijke omstandigheden alleen in uitzonderlijke situaties mogen worden geconcludeerd. Daarvan is in casu niet gebleken. Wat er ook zij van de vraag of er in het onderhavige geval na 1992 sprake was van duurzame opname in een ander gezin, verweerder heeft zich in redelijkheid niet op het standpunt kunnen stellen dat de feitelijke gezinsband tussen eiser en referent sinds 1992 verbroken is. Niet aannemelijk is geworden dat is voldaan aan de voorwaarde dat de ouder niet meer is belast met het gezag, terwijl verweerder evenmin op voldoende draagkrachtige wijze heeft gemotiveerd dat referent na 1992 niet meer in het onderhoud van eiser heeft voorzien. Daar komt bij dat verweerder geen aandacht heeft besteed aan het optreden van referent na het vertrek van eisers moeder. Vernietiging bestreden besluit. De rechtbank ziet aanleiding op de voet van artikel 8:72, vierde lid, Awb, zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat aan eiser een mvv wordt verleend. Argumenten daarvoor zijn dat verweerder tot twee maal de kern van het geschil heeft misverstaan. Het juridisch kader en de feiten zijn duidelijk. Verder is de leeftijd van eiser en diens grootouders als ook de proceduretijd van belang. Beroep gegrond.
Rechters
Advocaten
- D.J. de Jong
- E. Olof
- I. PROCESVERLOOP
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
Minister van Buitenlandse Zaken
verweerder · overheid
Overheidspartijen
Minister van Buitenlandse Zaken
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
