ECLI:NL:RBSGR:2001:AD6194
Rechtbank 's-Gravenhage · 21-06-2001 · zaaknummer AWB 01/6221, 01/19575
Inhoudsindicatie
Mvv-vereiste / buitenbehandelingstelling / tewerkstellingsvergunning. Het geding spitst zich toe op de vraag of de omstandigheid dat verzoeker, van Iraanse nationaliteit, sinds 10 januari 2001 inmiddels in het bezit is van een tewerkstellingsvergunning ertoe dient te leiden, dat het mvv-vereiste in redelijkheid niet meer kan worden tegengeworpen. Die vraag moet naar het oordeel van de president bevestigend worden beantwoord. Zoals verweerder in diens beleid aangeeft, hangen de procedures die op grond van de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) moeten worden gevolgd zeer nauw met elkaar samen en beïnvloeden de beslissingen op de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd en de aanvraag om verlening van een tewerkstellingsvergunning elkaar. Een nauwe samenwerking tussen de diensten die deze regelingen uitvoeren is daarom van belang. Van de vereiste samenwerking tussen de uitvoerende diensten is in deze zaak geenszins gebleken. Namens verzoekers is op 4 oktober 2000 een aanvraag om verlening van een vtv ingediend. Op dat moment was het verweerder duidelijk dat niet werd voldaan aan het mvv-vereiste, waarvoor een herstel-verzuim termijn is gegeven tot 18 december 2000. Voorts heeft het bedrijf ten behoeve van verzoeker op 25 oktober 2000 een tewerkstellingsvergunning aangevraagd. Op beide aanvragen is beslist op 9 januari 2001. Niet valt in te zien waarom de beslissing tot buitenbehandelingstelling van de aanvraag om een verblijfsvergunning zo lang op zich heeft moeten laten wachten. Van meet af aan was immers evident dat verzoeker niet voldeed aan het mvv-vereiste. Blijkens verweerders eerdergenoemde beleid dient weliswaar in beginsel eerst te worden beslist op de aanvraag van de tewerkstellingsvergunning door de Regionale Directie voor de Arbeidsvoorziening, en pas daarna op de aanvraag om een verblijfsvergunning, maar van deze volgorde dient volgens verweerders beleid te worden afgeweken indien op voorhand duidelijk is dat de verblijfsvergunning moet worden geweigerd, ongeacht of al dan niet een tewerkstellingsvergunning zou moeten worden verleend. Het onderhavige geval, waarin weliswaar geen sprake is van weigering van de vergunning, doch van buitenbehandelingstelling van de aanvraag wegens het niet voldoen aan een wettelijk vereiste, dient naar het oordeel van de president te worden gelijkgesteld met genoemde uitzonderingssituatie. Door niet onverwijld na ommekomst van de herstel-verzuimtermijn op de aanvraag van verzoekers te beslissen, heeft verweerder stellig de indruk gewekt dat het mvv-vereiste niet meer aan verzoekers zou worden tegengeworpen. De beslissing van verweerder om op 9 januari 2001 alsnog het mvv-vereiste tegen te werpen moet daarom strijdig met een zorgvuldige beslissingsprocedure worden geacht. Hetgeen verweerder in de beslissing op bezwaar naar voren heeft gebracht, geeft de president geen aanleiding voor een ander oordeel. Verzoek. Beroep gegrond, toewijzing verzoek.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
