ECLI:NL:RBSGR:2001:AD6158
Rechtbank 's-Gravenhage · 12-07-2001 · zaaknummer AWB 01/27932
Inhoudsindicatie
Bewaring / horen voor inbewaringstelling. De rechtbank meent dat verweerder op goede gronden de vreemdeling krachtens artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000 in het belang van de openbare orde en met het oog op de uitzetting, in bewaring heeft gesteld. De vreemdeling beschikt niet over een geldige titel tot verblijf en is niet in het bezit van een geldig identiteitsbewijs. De rechtbank oordeelt tevens dat er geen reden is de bewaring onrechtmatig te achten op grond van het feit dat verweerder de vreemdeling na de inbewaringstelling heeft gehoord. De rechtbank overweegt daartoe dat artikel 5:2. eerste en tweede lid, Vw 2000 voorschrijft dat de vreemdeling voordat hij in bewaring wordt gesteld wordt gehoord, tenzij het voorafgaand verhoor van de vreemdeling niet kan worden afgewacht. Is het bevel tot bewaring afgegeven zonder dat de vreemdeling is gehoord, dan vindt het verhoor zo spoedig mogelijk na de tenuitvoerlegging van de bewaring plaats. In het onderhavige geval werd door de penitentiaire inrichting gemeld dat de detentie van de vreemdeling op 28 juni 2001 te 09.30 uur zou aflopen, waarop de vreemdeling op die dag en dat tijdstip in bewaring is gesteld. Vervolgens is de vreemdeling vervoerd naar het politiebureau, alwaar de vreemdeling omstreeks 10.55 uur arriveerde en direct werd gehoord met betrekking tot zijn vreemdelingenbewaring. De rechtbank acht het alleszins aannemelijk dat een aan het geven van het bevel tot bewaring voorafgaand verhoor niet kon worden afgewacht. Uit een oogpunt van redelijke en adequate wetstoepassing is alleszins aanvaardbaar dat de vreemdeling eerst wordt gehoord door functionarissen die hun werkplek hebben in het politiebureau, waarnaar de vreemdeling vanuit de penitentiaire inrichting wordt vervoerd. De omstandigheid dat de vreemdeling en zijn ouders weinig inspanningen hebben betracht met betrekking tot het aandragen van relevante documenten die het onderzoek bij de Surinaamse autoriteiten zou kunnen bekorten en mede gelet op het feit dat de vreemdeling ongewenst is verklaard, heeft verweerder in alle redelijkheid kunnen besluiten om niet te volstaan met het opleggen van een meldplicht. Met betrekking tot de voortvarendheid inzake de uitzettingsprocedure is de rechtbank van oordeel dat verweerder tijdig de Surinaamse autoriteiten heeft verzocht om afgifte van een nieuwe laissez-passer. De omstandigheid dat in april van dit jaar reeds een laissez-passer is afgegeven wettigt het standpunt dat er als zodanig voldoende zicht op uitzetting bestaat. Niet valt in te zien dat niet wederom een laissez-passer zal worden afgegeven. Dat de Surinaamse autoriteiten ondanks alle benodigde gegevens niet tot afgifte van een laissez-passer zijn overgegaan, kan hieraan niet afdoen. Verweerder had geen gebruik had kunnen maken van de reeds eerder afgegeven laissez-passer vanwege het gedrag van de vreemdeling. De hierdoor onstane vertraging dient derhalve voor rekening van de vreemdeling te komen. Beroep ongegrond.
Rechters
Advocaten
- I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET
- L. Louwerse
- M. Verweij
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
Staatssecretaris van Justitie
verweerder · overheid
Overheidspartijen
Staatssecretaris van Justitie
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
