ECLI:NL:RBSGR:2001:AD5921
Rechtbank 's-Gravenhage · 16-05-2001 · zaaknummer AWB 00/67674
Inhoudsindicatie
SAMENVATTING Mvv / buitenbehandelingstelling / hardheidsclausule. De aanvraag om een vtv is buiten behandeling gesteld wegens het ontbreken van een mvv. Het beroep op de hardheidsclausule is niet gehonoreerd. Nu op 1 april 2001 de Vw 2000 in werking is getreden en de behandeling van het verzoek heeft plaats gevonden op 19 april 2001, dient allereerst de vraag naar het toepasselijke recht in bezwaar beantwoord te worden. De president is van oordeel dat verweerder in bezwaar geen toepassing meer kan geven aan artikel 16a Vw 2000 aangezien dit artikel niet als een procedurele bepaling is aan te merken welke valt onder het in bezwaar geldende artikel 118, tweede lid, Vw 2000. Wegens het ontbreken van ter zake relevant overgangsrecht zal verweerder in bezwaar toepassing dienen te geven aan het materiële recht van de op 1 april 2001 in werking getreden Vw 2000. De president toetst het bestreden besluit dan ook aan artikel 16, eerste lid, onder a, Vw 2000 en de daarmee verwant zijnde bepalingen. Eerst nadien zal bezien worden of het rechtsregime zoals dat luidde ten tijde van de aanvraag voor verzoeker gunstiger is en in hoeverre dit noopt tot toepassing van dat rechtsregime. In artikel 3.71, eerste en vierde lid, Vb 2000 heeft de wetgever invulling gegeven aan artikel 16, eerste lid, onder a, Vw 2000. Op grond van het eerste lid wordt een aanvraag afgewezen indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv. Op grond van het vierde lid kan de minister het eerste lid buiten toepassing laten voor zover toepassing daarvan naar zijn oordeel zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Vooralsnog is de president van oordeel dat er in het onderhavige geval geen sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard. Nu er vooralsnog niet vanuit wordt gegaan dat verweerder aan het bepaalde in artikel 3.71, vierde lid, Vb 2000 een meer beperkte strekking zal toekennen dan aan artikel 16a, zesde lid, Vw 2000, valt op voorhand niet in te zien dat toepassing van het oude rechtsregime tot een gunstiger uitkomst zal leiden. De president laat in het midden of de gestelde schending door verweerder van artikel 4:5, eerste lid en vierde lid, Awb na 1 april 2001 nog tot toewijzing van het verzoek kan leiden. Gebleken is dat verweerder overeenkomstig het gestelde in dit artikel heeft gehandeld. Afwijzing verzoek.
Rechters
Advocaten
- M.C. Heijnneman
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
Staatssecretaris van Justitie
verweerder · overheid
Overheidspartijen
Staatssecretaris van Justitie
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
