Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD5557

Rechtbank 's-Gravenhage · 19-06-2001 · zaaknummer AWB 01/ 23628

Bestuursrecht; VreemdelingenrechtGepubliceerd 04-04-2013
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

SAMENVATTING Bewaring / voorlopige maatregel / asielverzoek. De vreemdeling stelt de Chinese nationaliteit te bezitten. De vreemdeling is aangehouden op basis van artikel 310 juncto 311 Wetboek van Strafrecht en in verzekering gesteld. In het kader van het project Vreemdeling in de Strafrechtketen (VRIS) is een voorlopig bevel tot bewaring afgegeven. Namens de vreemdeling is aangevoerd dat de procesorde is geschonden, omdat de gemachtigde niet tijdig kennis heeft kunnen nemen van het dossier. De rechtbank oordeelt dat het als onwenselijk moet worden beschouwd dat verweerder er met de nieuwe Vreemdelingenwet onvoldoende in slaagt ervoor te zorgen dat de stukken worden toegezonden aan de gemachtigde van een vreemdeling, maar kent daaraan in het onderhavige geval geen gevolgen toe. Voorts stelt gemachtigde dat niet tot uitzetting mag worden overgegaan zonder dat het Openbaar Ministerie daartegen geen bezwaar heeft. Dit blijkt niet uit het dossier. De vreemdeling heeft een aanvraag ingediend als vluchteling en op deze aanvraag is nog niet beslist. Uit de omstandigheid dat de vreemdeling een aanvraag om toelating als vluchteling heeft ingediend eerst nadat hij al zeer geruime tijd in voorlopige hechtenis verbleef, geeft als zodanig in de onderhavige procedure grond voor het oordeel dat niet gezegd kan worden dat die aanvraag als kansrijk is aan te merken. Uit jurisprudentie blijkt dat het Openbaar Ministerie parket 's-Gravenhage zich op het standpunt heeft gesteld dat indien door hen niet wordt aangegeven dat de vreemdeling niet mag worden verwijderd, geen bezwaar bestaat tegen de uitzetting van de vreemdeling. De rechtbank is van oordeel dat uit de overdracht aan de vreemdelingendienst voldoende blijkt dat het Openbaar Ministerie geen bezwaar tegen de uitzetting van de vreemdeling heeft. De vreemdeling heeft reeds op 9 april 2001 een aanvraag ingediend voor toelating als vluchteling. Verweerder is gehouden te beslissen binnen de in artikel 59, vierde lid, Vw 2000 genoemde termijn. Naar het oordeel van de rechtbank vangt die termijn eerst aan op het moment dat de vreemdeling uit de voorlopige hechtenis is ontslagen, in casu op 31 mei 2001. Derhalve is die termijn nu nog niet verstreken. Beroep ongegrond.

Advocaten

  • M. Soffers

In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.

Partijen

  • Staatssecretaris van Justitie

    verweerder · overheid

Overheidspartijen

  • Staatssecretaris van Justitie

    verweerder

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.