ECLI:NL:RBSGR:2001:AD5417
Rechtbank 's-Gravenhage · 05-06-2001 · zaaknummer AWB 01/20208
Inhoudsindicatie
AMENVATTING Bewaring / kennisgeving De rechtbank 's-Gravenhage heeft geïnformeerd bij de rechtbank te 's-Hertogenbosch en vernomen dat aldaar in vreemdelingenzaken de dicta niet telefonisch worden doorgegeven. Verweerder kon derhalve niet eerder op de hoogte zijn van de uitspraak inzake de voorlopige voorziening van de vreemdeling dan op 2 mei 2001, zijnde de dag na verzending van de uitspraak van 30 maart 2001. De rechtbank is van oordeel dat verweerder na ontvangst van de uitspraak met voldoende voortvarendheid aan de uitzetting van de vreemdeling, van Turkse nationaliteit, heeft gewerkt, nu de uitzettingshandelingen op 18 mei 2001 hebben geleid tot de afgifte van een laissez-passer, waarop de vreemdeling op 24 mei 2001 is uitgezet naar zijn land van herkomst. Ten aanzien van het niet tijdig doen van de kennisgeving als bedoeld in artikel 96, eerste lid, Vw 2000 is de rechtbank van oordeel dat het primaire verweer faalt. Het beroep van de vreemdeling van 15 januari 2001 is op 13 februari 2001 behandeld. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting dient de rechtbank ingevolge artikel 34a, derde lid Vw binnen twee weken uitspraak te doen. Aangezien de rechtbank na het verstrijken van die termijn niet de opheffing van de bewaring heeft gelast, kon verweerder weten dat het beroep van de vreemdeling uiterlijk op 27 februari 2001 ongegrond was verklaard. Voorts overweegt de rechtbank dat het subsidiaire verweer van verweerder, waarbij wordt verzocht de schadevergoeding te matigen nu het niet tijdig doen van de kennisgeving een formeel gebrek is, miskent dat de termijn waarbinnen een kennisgeving ex artikel 96 Vw 2000 moet worden gedaan een essentiële waarborg is om het onnodig voortduren van de bewaring te voorkomen. Verweerder dient zich binnen deze termijn een oordeel te vormen over de vraag of het voortduren van de bewaring bij afweging van alle daarbij betrokken belangen gerechtvaardigd is. Bij een ontkennende beantwoording van die vraag dient verweerder de bewaring onmiddellijk op te heffen. Indien voortduring van de bewaring volgens verweerder wel gerechtvaardigd is, dient hij daarvan binnen deze termijn aan de rechtbank kennis te geven, opdat deze zich hierover kan uitspreken. Gelet op het vorenstaande kan niet worden staande gehouden dat bij overschrijding van de voor het doen van de kennisgeving ex artikel 96 Vw 2000 gestelde termijn de bewaring eerst vanaf een later gelegen tijdstip onrechtmatig is of dat de vreemdeling eerst dan in zijn belangen is geschaad door de termijnoverschrijding. In dit geval eindigde de termijn voor het doen van de kennisgeving ingevolge artikel 121, tweede lid, laatste volzin, Vw 2000, op 28 april 2001. Omdat dit een zaterdag was, wordt deze termijn op grond van artikel 1, eerste lid, Algemene termijnenwet, verlengd tot en met de eerstvolgende dag die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is, te weten tot en met 1 mei 2001. De rechtbank is van oordeel dat de bewaring met ingang van 2 mei 2001 - de dag na die waarop de kennisgeving uiterlijk had moeten worden gedaan - onrechtmatig was. Beroep gegrond.
Rechters
Advocaten
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
