ECLI:NL:RBSGR:2001:AB2695
Rechtbank 's-Gravenhage · 11-06-2001 · zaaknummer AWB 01/647 ZW
Inhoudsindicatie
Samenstel van regels op grond waarvan in Nederland verblijvende Turkse onderdaan ziekengeld is geweigerd, niet disproportioneel. In casu evenmin strijd met art. 3 Besluit nr. 3/80. Eiser is ingaande 3 juli 2000 ziekengeld geweigerd. Vaststaat dat eiser ten tijde van betreffende periode rechtmatig in Nederland verbleef ex art. 1b aanhef en onder 3 Vw. Eiser heeft bij een werkgever gewerkt die niet in bezit was van een voor eiser afgegeven tewerkstellingsvergunning. Op grond van voorgaande is verweerder van oordeel dat eiser niet is aan te merken als een verzekeringsplichtige werknemer in de zin van de ZW. Rechtbank: De materiële werkingssfeer van het Besluit nr. 3/80 strekt zich ingevolge art. 4 daarvan onder meer uit over de werknemersverzekeringen. In Nederland verblijvende Turkse werknemers die een uitkering krachtens zodanige regeling is geweigerd, zoals in eisers geval een ZW-uitkering, kunnen dus hierop een beroep doen. Daarvoor is nog wel vereist dat een betrokkene ook onder de personele werkingssfeer van art. 2 Besluit nr. 3/80 valt. Daarvan is in eisers situatie sprake aangezien hij in elk geval voor 1 juli 1998 verzekerd is geweest ingevolge de werknemersverzekeringen. Eiser komt dus een beroep toe op art. 3 Besluit nr. 3/80. In het arrest Sürül heeft het Hof van Justitie EG daarover uitgesproken, dat de hierin neergelegde non-discriminatienorm betekent, dat een Turkse onderdaan, die hier te lande legaal verblijft, op dezelfde wijze moet worden behandeld als onderdanen van een lidstaat van ontvangst. De wettelijke regeling van die lidstaten mag voor de verlening van een recht aan zo'n Turkse onderdaan geen nadere of striktere voorwaarden stellen vergeleken bij eigen onderdanen. Hoewel eiser op de datum in geding - zoals hiervoor is overwogen - legaal in Nederland verbleef, wordt hij op grond van voornoemde nationale bepalingen toch niet als werknemer beschouwd in de zin van de Ziektewet, omdat hij niet voldoet aan de nadere voorwaarden, te weten het beschikken over een vergunning tot verblijf, dan wel het verrichten van arbeid in overeenstemming met de Wav. Aangezien deze nadere voorwaarden enkel kunnen worden tegengeworpen aan niet-Nederlanders, wordt door de toepassing ervan rechtstreeks onderscheid gemaakt naar nationaliteit als bedoeld in art. 3 Besluit nr. 3/80. Het voorgaande betekent echter nog niet zonder meer dat dit gemaakte onderscheid verboden is. Daarvan is eerst sprake indien voor het gemaakte onderscheid géén objectieve rechtvaardigingsgronden kunnen worden aangedragen. Het HvJEG laat evenwel blijkens rechtsoverweging 104 van het arrest Sürül de mogelijkheid open dat objectieve rechtvaardigingsgronden bestaan voor het gemaakte onderscheid naar nationaliteit. De vraag is dus of er objectieve rechtvaardigingsgronden zijn aan te voeren voor het onderscheid dat wordt gemaakt met invoering van de Koppelingswet. Daarvoor geldt dat ze gelegen moeten zijn in het doel van de Koppelingswet. Dit doel betreft ten aanzien van de nog niet in Nederland toegelaten vreemdelingen het voorkomen dat zij gaandeweg hun toelatingsprocedure een zodanige rechtspositie opbouwen dat zij na afloop van die procedure zo goed als onuitzetbaar blijken. De rechtbank acht het per 1 juli 1998 ingevoerde samenstel van regels op grond waarvan eiser ziekengeld is geweigerd een geschikt, genuanceerd en proportioneel middel om het hierboven weergegeven, en geoorloofde, beleidsdoel te verwezenlijken. De rechtbank onderschrijft dienaangaand hetgeen de rechtbank te Amsterdam blijkens haar uitspraken van 4 augustus 1999 heeft geoordeeld. Daarbij merkt de rechtbank echter op dat bij de volledige toepassing van dit samenstel van regels ten aanzien van bepaalde vreemdelingen de grenzen van proportionaliteit worden overschreden. Hierbij doelt de rechtbank op hier legaal verblijvende vreemdelingen van wie de bestaande uitkering wordt beëindigd door invoering van de Koppelingswet. Immers, hier wordt in feite een bestaande rechtspositie afgebouwd, terwijl de Koppelingswet er toe strekt te voorkomen dat een dergelijke positie wordt opgebouwd. Van het afbouwen van een bestaande rechtspositie in deze zin is in eisers geval echter geen sprake, aangezien hem op de peildatum niet reeds een uitkering was toegekend. Het betreft hier een nieuwe aanvraag voor een uitkering krachtens de ZW en de weigering van verweerder deze toe te kennen. Het bestreden besluit tot weigering van ziekengeld is derhalve niet in strijd is met art. 3 van het Besluit nr. 3/80. Ten aanzien van art. 8 EVSZ merkt de rechtbank op dat ook dit artikel rechtstreekse werking heeft, maar voor de toepassing daarvan bovengenoemde rechtvaardigingsgrond evenzeer een onderscheid naar nationaliteit rechtvaardigt. Beroep ongegrond. Lisv, verweerder. mrs. C.C. Dedel-van Walbeek, T.M.A. Claessens, C.J. Waterbolk
Rechters
In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
