ECLI:NL:RBSGR:2001:AB2362
Rechtbank 's-Gravenhage · 17-05-2001 · zaaknummer AWB 01/617
Inhoudsindicatie
Witte-illegalenbeleid / ononderbroken woonplaats / waarde bewijsmiddelen. In dit geschil speelt de vraag wanneer is aangetoond dat de aanvrager van een verblijfsvergunning op grond van de TBV vanaf 1 januari 1992 ononderbroken woonplaats in Nederland heeft gehad. De rechtbank overweegt hierover allereerst dat de TBV geen bijzondere, van het algemene bestuursrecht afwijkende bewijsregels bevat. Voorts dient voorop gesteld te worden dat het primair aan de vreemdeling is om aan te tonen dat hij de gehele hier bedoelde periode, voorzover door verweerder bepaalde periodes niet buiten beschouwing worden gelaten in verband met bijvoorbeeld vakantieverblijf, in Nederland heeft verbleven. De verstrekte gegevens moeten door verweerder op hun eigen merites, alsmede in het licht van de overige door de vreemdeling verstrekte of bij verweerder bekende gegevens, worden beoordeeld. Het staat verweerder niet vrij bij voorbaat aan bepaalde bewijsmiddelen, zoals getuigeverklaringen, geen enkele waarde toe te kennen. Verweerder zal dergelijk bewijs mede tegen de achtergrond van andere bewijsmiddelen moeten waarderen. Bij de beoordeling van de overtuigende kracht van getuigenissen kan worden betrokken uit welke bron deze afkomstig zijn. Deze beoordeling kan, nu het om een feitelijke kwestie gaat, volledig door de rechter worden getoetst. De rechtbank overweegt dat de gegevens waarover verweerder ten tijde van het bestreden besluit de beschikking had niet buiten twijfel stellen dat eiser in de betwiste periode ononderbroken in Nederland verbleef. Anderzijds heeft eiser bij zijn aanvraag en in bezwaar gegevens overgelegd die dit verblijf tot zekere hoogte aannemelijk maken. De in bezwaar overgelegde stukken roepen weliswaar een aantal vragen op, maar rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank, mede gelet op eisers verklaring, niet zonder meer de door verweerder getrokken conclusie dat eiser onjuiste gegevens heeft verstrekt over het dienstverband bij een uitzendbureau. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 3:46 Awb niet deugdelijk gemotiveerd. Onder deze omstandigheden heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank voorts niet zonder nadere motivering op het standpunt kunnen stellen dat het bezwaar van eiser geen redelijke kans van slagen had. Derhalve heeft verweerder ten onrechte met toepassing van artikel 32, eerste lid, onder b, en tweede lid, Vw, beslist dat uitzetting van eiser hangende het bezwaar niet achterwege blijft en dat - derhalve - geen verplichting bestaat hem te horen. In dit verband is van belang dat in dit geval, waarin de afwijzing van de aanvraag is gebaseerd op het ontbreken van toereikend bewijs, het horen van eiser hem de gelegenheid had geboden de verstrekte gegevens toe te lichten en over zijn verblijfplaats in de betwiste periode nadere bijzonderheden te verschaffen. Beroep gegrond.
Advocaten
- G.M.G. Hink
- I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET
- M.J. Mons
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
Staatssecretaris van Justitie
verweerder · overheid
Overheidspartijen
Staatssecretaris van Justitie
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
