ECLI:NL:RBSGR:2001:AB1925
Rechtbank 's-Gravenhage · 12-02-2001 · zaaknummer AWB 00/7381
Inhoudsindicatie
Dublinclaim / artikel 3 EVRM / Duitsland. Aan het in behandeling kunnen nemen van een zogenaamde Folgeantrag worden eisen gesteld (§51 Verwaltungsverfahrensgesetz (VwVfG)). Wordt aan die eisen naar het oordeel van de bevoegde autoriteiten, in casu het BAFL, voldaan, dan wordt het opvolgende verzoek in behandeling genomen waarbij, na een afwijzende beslissing van het BAFL, de gewone rechtsmiddelen open staan. Blijkens de brief van het BAFL van 13 augustus 2000 kan het BAFL, met gebruikmaking van zijn discretionaire bevoegdheid, ondanks de omstandigheid dat niet voldaan is aan de in §51 absatz 2 en 3 VwVfG genoemde voorwaarden, toch besluiten het proces tot vaststelling van zogenaamde 'Abschiebungshindernisse', opnieuw te volgen. Wanneer naar het oordeel van het BAFL geen reden is om de procedure opnieuw op te pakken én het opvolgend verzoek is gedaan binnen twee jaren nadat in de eerdere procedure een uitzettingsbevel is gegeven en onherroepelijk geworden, dan hoeft geen termijn voor vrijwillige uitreis noch uitzettingsaankondiging of -bevel gegeven te worden. De uitzetting mag echter pas plaatsvinden na een mededeling van het BAFL dat aan de voorwaarden van §51 Absatz 1 tot 3 VwVfG niet is voldaan. De in casu Iraanse verzoekers hebben in een dergelijk geval steeds de mogelijkheid om tegen de (op basis van deze beslissing) daadwerkelijke uitzetting op grond van §123 Verwaltungsgerichtsordnung (VwGO) het Verwaltungsgericht te verzoeken hem 'Eilrechtschutz' te verlenen. Anders dan verzoekers stellen blijkt uit de in rechtsoverweging 2.13 genoemde notitie van de liaisonambtenaar van het BAFL van 6 december 2000 dat deze procedure door de vreemdeling in de praktijk mag worden afgewacht. Uit voornoemde notitie leidt de president af dat de daadwerkelijke uitzetting, na een beslissing van het BAFL dat een procedure niet opnieuw zal worden opgepakt, via §123 VwGO altijd ter toetsing zal kunnen worden voorgelegd aan een rechterlijke instantie en dat deze rechterlijke toetsing mag worden afgewacht. Verzoekers hebben in hun brief van 5 januari 2001 de inhoud van deze notitie niet gemotiveerd weersproken. Het voorgaande leidt de president tot het oordeel dat niet is gebleken dat uitzetting van verzoekers naar Duitsland in strijd is met het bepaalde in artikel 3 EVRM. Afwijzing verzoek, bezwaar ongegrond.
Rechters
Advocaten
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
