ECLI:NL:RBSGR:2001:AB1391
Rechtbank 's-Gravenhage · 17-04-2001 · zaaknummer AWB 01/13692
Inhoudsindicatie
AC-procedure / artikel 14.1e Vw 2000 / vertrektermijn. Ingevolge de systematiek van de Vw 2000 bestaat voor de beoordeling van de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel (hoofdstuk 3, afdeling 4 Vw 2000) en een verblijfsvergunning regulier (hoofdstuk 3, afdeling 3 Vw 2000) een afzonderlijk traject. Overeenkomstig deze systematiek heeft verweerder in hoofdstuk C1/2 Vc 2000 uiteengezet dat een vreemdeling die een asielaanvraag heeft ingediend in het kader van die aanvraag zich niet erop kan beroepen dat hij in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier in de zin van artikel 14 Vw 2000. Naar de opvatting van verweerder kan bij de beoordeling van een asielaanvraag op grond van artikel 14, eerste lid, onder e, Vw 2000, juncto artikel 3.6 Vw 2000 wel ambtshalve worden bezien of de vreemdeling op grond van die bepaling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier. De rechtbank stelt vast dat verweerder dit laatste heeft gedaan in de door eiser aangevochten passage van het bestreden besluit. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met het geven van die zienswijze niet heeft gehandeld in strijd met de wet. Verweerder heeft in die passage slechts ambtshalve zijn zienswijze gegeven op de kans van verlening aan eiser van een verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 14, eerste lid, onder e, Vw 2000, juncto artikel 3.56 Vb 2000. In het kader van de beslissing op de onderwerpelijke asielaanvraag mist verweerders zienswijze enig zelfstandig rechtsgevolg, nu blijkens het dictum van het besluit overeenkomstig de systematiek van de wet alleen op de aanvraag van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is beslist. Op grond van artikel 62, vierde lid aanhef en onder a, Vw 2000 kan de minister in het belang van de uitzetting de vertrektermijn van vier weken neergelegd in artikel 62, eerste lid, verkorten tot minder dan vier weken. Verweerder heeft ten aanzien van deze bevoegdheid bij TBV 2001/10 zijn beleidsbepaling neergelegd in hoofdstuk C3/12.2 Vc 2000 Daarin is onder verwijzing naar hoofdstuk A4/4.1.4 Vc 2000 bepaald dat de vertrektermijn in het belang van de uitzetting kan worden verkort, onder andere indien gegronde vrees bestaat dat de vreemdeling misbruik zal maken van het gunnen van een vertrektermijn door niet rechtmatig in ons land achter te blijven. Voor de gevallen waarin binnen het aanmeldcentrum (niet zijnde Schiphol) een asielaanvraag is afgewezen, geldt dat deze gegronde vrees aanwezig is. De vertrektermijn bedraagt derhalve nul dagen. Niet kan worden gezegd dat verweerder niet in redelijkheid tot deze beleidsbepaling heeft kunnen komen. Blijkens de toelichting bij het wetsvoorstel Vw 2000 wordt met het neerleggen in de wet van één vertrektermijn (artikel 62, eerste lid) beoogd in de Vw 2000 ten opzichte van de Vw 1994 het aantal beslismomenten ten aanzien van een niet toegelaten vreemdeling terug te brengen. Ofschoon dit effect ten aanzien van een vreemdeling op wiens aanvraag met toepassing van de AC-procedure afwijzend is beslist niet wordt bereikt indien verweerder daarbij gebruik maakt van zijn bevoegdheid krachtens artikel 62, vierde lid,Vw 2000, vermag de rechtbank niet in te zien dat uitoefening van die bevoegdheid in de onderwerpelijke zaak overeenkomstig verweerders beleidsbepaling reeds daarom in strijd is met artikel 62 Vw 2000 of anderszins strijdig met het recht. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat verweerder met zijn beleidsbepaling de regeling wil voortzetten van hoofdstuk B7/ 5.4.1 Vc-1994 , waarin de vertrektermijn van vier weken van artikel 15, tweede lid, Vw 1994 voor alle AC-zaken wordt verkort tot nul dagen (onmiddellijk vertrek). Niet is gebleken dat verweerder bij het bestreden besluit ten aanzien van eiser het bepaalde in artikel 4:84 Awb heeft veronachtzaamd. Beroep ongegrond.
Rechters
Advocaten
- H.W.F. Klarenaar
- I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET
- M. Ramsaroep
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
Staatssecretaris van Justitie
verweerder · overheid
Overheidspartijen
Staatssecretaris van Justitie
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
