Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RBSGR:2001:AB1171

Rechtbank 's-Gravenhage · 31-01-2001 · zaaknummer AWB 00/3328

Bestuursrecht; VreemdelingenrechtGepubliceerd 04-04-2013
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Horen / ambtelijke commissie. Ten aanzien van eisers stelling dat het horen door een ambtelijke commissie in strijd met artikel 7:5 Awb heeft plaatsgevonden overweegt de rechtbank het volgende. Teneinde zoveel mogelijk te waarborgen dat het horen aan zijn doel beantwoordt, is in de Awb een aantal procedurele vereisten opgenomen. Een van die vereisten is neergelegd in artikel 7:5 Awb en houdt in dat bij het horen door meer dan een persoon de meerderheid van degenen die horen, waaronder degene die het horen leidt, niet bij de voorbereiding van het besluit aanwezig is geweest. De ratio van deze bepaling is dat het gewenst is dat degenen die bij de voorbereiding van het bestreden besluit betrokken zijn geweest, niet ook de gang van zaken bij het horen bepalen. In casu staat vast dat degene die voorzitter is geweest van de ambtelijke hoorcommissie, tevens de beslissing in primo heeft ondertekend. Verder bestond de commissie uit een rapporteur en een - niet inhoudelijk bij de zaak betrokken - notulist. Uit het verslag van de hoorzitting blijkt dat het horen merendeels door de rapporteur is gedaan, en dat deze eerder dan de voorzitter aan het woord is geweest. Uit het verslag blijkt niet dat laatstgenoemde als zodanig in belangrijke mate invloed heeft uitgeoefend op de vraagstelling. Evenmin blijkt uit de vragen die zij zelf heeft gesteld dat sprake is geweest van enige vooringenomenheid. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet gesteld worden dat eiser door de gang van zaken is benadeeld. Eiser heeft alle gelegenheid gehad zijn relaas naar voren te brengen. Gelet op de gang van zaken tijdens het gehoor, kan de vraag of in bezwaar een deugdelijke heroverweging heeft plaatsgevonden, naar het oordeel van de rechtbank, positief worden beantwoord. De rechtbank is daarom van oordeel dat geen sprake is van een dusdanig ernstige schending van artikel 7:5 Awb, dat dit niet met toepassing van artikel 6:22 Awb kan worden geheeld. De grief faalt derhalve. Beroep ongegrond.

Rechters

Advocaten

  • I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET
  • J. Prins
  • M. Obers

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.