ECLI:NL:RBSGR:2001:AB0578
Rechtbank 's-Gravenhage · 15-01-2001 · zaaknummer AWB 99/8034 ABW
Inhoudsindicatie
Gedwongen opname in psychiatrisch ziekenhuis ex 37.1 Sr niet op één lijn te stellen met andere vormen van vrijheidsbeneming als bedoeld in art. 9.1 Abw. Eiser is bij vonnis van 3 september 1998 een maatregel opgelegd in die zin dat hij ex 37.1 Sr voor de duur van een jaar in een psychiatrisch ziekenhuis is geplaatst. Op 4 januari 1999 is hij overgeplaatst naar een gesloten afdeling en op 29 januari 1999 heeft eiser de inrichting verlaten. Toekenning bijstandsuitkering van 4 t/m 28 januari 1999 naar de norm zak- en kleedgeld. Vanaf 29 januari 1999 weigering bijstandsuitkering. De rechtbank is, onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis bij art. 9 Abw (Kamerstukken II, vergaderjaar 1991-1992, 22 545, nr. 3), van oordeel dat de gedwongen opname in een psychiatrisch ziekenhuis op grond van art. 37.1 Sr niet op één lijn kan worden gesteld met andere vormen van vrijheidsbeneming waarop art. 9.1 Abw, betrekking heeft. Onlangs is de relatie tussen het begrip "rechtens zijn vrijheid ontnomen" en een gedwongen opname in het kader van de Wet BOPZ dan wel een gedwongen opname met toepassing van art. 37.1 Sr, aan de orde gekomen bij de behandeling van de Wsg. Uit de toelichting bij dit wetsvoorstel blijkt eveneens dat bij een gedwongen opname o.g.v de Wet BOPZ of met toepassing van art. 37.1 Sr, het niet gerechtvaardigd wordt geacht om belanghebbenden uit te sluiten van het recht op een uitkering, aangezien de Staat in deze gevallen niet voorziet in het levensonderhoud van de opgenomen personen. Voorts wordt toegelicht dat het gaat om personen wie hun vrijheidsontneming niet kan worden aangerekend. Het gaat hierbij in feite om een rechterlijke machtiging tot opname in een psychiatrisch ziekenhuis zoals die doorgaans door de civiele rechter op grond van van de Wet BOPZ wordt opgelegd. De wijze van tenuitvoerlegging van deze maatregel vindt ook geheel volgens de bepalingen van de Wet BOPZ plaats, en de last moet in dit kader met de civielrechtelijke machtiging worden gelijkgesteld (Kamerstukken II, 1997-1998, 26 063, nr. 3). Voor wat betreft de periode vanaf 29 januari 1999 is de rechtbank van oordeel dat duidelijk is dat eiser het psychiatrisch ziekenhuis heeft verlaten met de daarvoor binnen die organisatie vereiste toestemming. Eiser kan derhalve geen tekortschietend besef van verantwoordelijkheid en evenmin een verzuim te voldoen aan de inlichtingenplicht worden verweten. Beroep gegrond, verweerder dient een nieuw besluit te nemen. Naast vergoeding griffierecht, veroordeling in proceskosten en renteschade. Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Den Haag, verweerster. mrs. C.J. Waterbolk, E.R. Eggeraat, D.A. Verburg
Rechters
In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.
Advocaten
- G.R.L. Berkes
- W.M.A. der Weduwe-de Groot
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
