ECLI:NL:RBSGR:2001:AB0249
Rechtbank 's-Gravenhage · 15-01-2001 · zaaknummer AWB 00/3231 WET
Inhoudsindicatie
Anticiperen op voorontwerp vierde tranche Awb terzake van ingangsdatum vergoeding wettelijke rente ligt niet voor de hand, aangezien het bepaalde omtrent de ingangsdatum een breuk betekent met de huidige jurisprudentie. Na aanvankelijke weigering van huursubsidie is bij besluit op bezwaar alsnog een bijdrage toegekend over de periode van 1 juli 1997 tot en met 30 juni 1998 (betaalbaar gesteld op 17 september 1999). Voorts is aan eiser wettelijke rente toegekend, berekend over de periode van 15 oktober 1998 tot 17 september 1999. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij aanspraak heeft op wettelijke rente met ingang van 14 november 1997, de datum van het oorspronkelijke weigeringsbesluit. Volgens verweerders beleid gaat de wettelijke rente in op het moment waarop de beslistermijn van 15 maanden van art. 30, tweede lid Hsw en de betaaltermijn van zes weken van art. 4.4.1.3 van het voorontwerp zijn verstreken. Rechtbank: De jurisprudentie over de opeisbaarheid van wettelijke rente houdt in dat een vordering opeisbaar is vanaf de dag waarop de ten onrechte niet betaalde geldsom had moeten worden uitbetaald als het primair besluit juist was geweest. In gevallen waarin een bepaling omtrent de betalingstermijn in de bijzondere wet ontbreekt, dienen maandelijks te betalen bedragen uiterlijk op de laatste dag van de maand te zijn uitbetaald en is de wettelijke rente verschuldigd op de eerste dag van de maand volgend op die waarin de datum valt van de bekendmaking van het bestreden besluit. Bij niet-tijdig beslissen op een aanvraag wordt wettelijke rente opeisbaar geacht na het verstrijken van de beslistermijn. De vraag is nu of in het onderhavig beroep in de lijn van deze jurisprudentie dient te worden geoordeeld of dat dient te worden vooruitgelopen op het voorontwerp. Het voorontwerp bepaalt dat, indien een afwijzende beschikking tot betaling door het bestuursorgaan als gevolg van bezwaar of beroep wordt vervangen door een beschikking tot betaling, het bestuursorgaan wettelijke rente verschuldigd is vanaf het tijdstip waarop het in verzuim zou zijn geweest indien de beschikking op de laatste dag van de daarvoor gestelde termijn zou zijn gegeven. Uit de memorie van toelichting op het voorontwerp (pagina 55) blijkt dat met deze regel aansluiting wordt gezocht bij de jurisprudentie van met name de Centrale Raad van Beroep. Daarnaast wordt in het voorontwerp uitdrukkelijk gekozen voor een zelfde behandeling van onjuiste besluitvorming als niet-tijdige besluitvorming. In beide gevallen, ook wanneer een besluit in het geheel uitblijft, dient rente te worden vergoed vanaf het moment waarop uiterlijk had moeten zijn beslist en betaald. De rechtbank is met eiser van oordeel dat het in het onderhavig geval niet voor de hand ligt om te anticiperen op het voorontwerp. Weliswaar sluit het voor wat betreft de beoordeling van verzoeken om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente aan op de desbetreffende bepalingen uit boek 6 BW en de huidige jurisprudentie van de bestuursrechters, voor wat betreft de ingangsdatum van de wettelijke rente wordt in het voorontwerp een keuze gemaakt die een breuk betekent met de huidige jurisprudentie. Daarom kan ook niet worden gezegd dat hetgeen thans op dit punt in het voorontwerp is opgenomen een afspiegeling is van hetgeen reeds zodanig tot de algemene rechtsovertuiging behoort dat het als geldend recht kan worden aangemerkt. Bovendien past deze keuze slecht in het stelsel van titel 4.4 van het voorontwerp waarin de ingangsdatum van verzuim is gekoppeld aan de betalingstermijn die aanvangt op het feitelijk moment van besluiten en niet op het moment dat uiterlijk besloten had moeten worden. Verweerder heeft zelf een betaaltermijn van vier weken redelijk geacht. Nu een betaaltermijn in de Hsw ontbreekt, acht de rechtbank een betaaltermijn van vier weken niet onredelijk. De wettelijke rente is derhalve opeisbaar vanaf vier weken na 14 november 1997, de datum van het primair besluit. De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, verweerder. mr. F.J. Verbeek Voorontwerp tot wijziging van de Awb, vierde tranche (het voorontwerp) 4.4.1.3, 4.4.2.1, 4.4.2.6 Huursubsidiewet (Hsw) 30.2
Rechters
In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.
Advocaten
- J.C.A. Stevens
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
