ECLI:NL:RBSGR:2000:AA9726
Rechtbank 's-Gravenhage · 12-12-2000 · zaaknummer AWB 99/11350
Inhoudsindicatie
Toelating kind voor verblijf bij gescheiden vader na overlijden moeder in het buitenland. Verweerders uitleg van het beleid inzake verbreking feitelijke gezinsband is in hoofdlijnen niet onredelijk, doch is op minstens één punt niet in lijn met de tekst van de Vc-1994 en spoort op minstens twee punten niet met de algemene uitvoeringspraktijk. Het bestreden besluit berust derhalve op een motivering die, in strijd met artikel 7:12, eerste lid, Awb niet in voldoende mate kenbaar is geweest. Bovendien worden de volgende kanttekeningen geplaatst bij het door verweerder gegeven uitleg: - Niet kan worden gesteld dat het kind is opgenomen in een ander gezin, zo lang beide ouders nog met elkaar gehuwd zijn en het kind nog bij één van die ouders verblijft, dan wel wanneer een ouder vertrekt vanuit een andere gezinsvorm dan het kerngezin - bijvoorbeeld een drie-generatie gezin - en het kind in dat gezin achterblijft, indien en zolang de onderlinge gezagsverhoudingen niet wezenlijk zijn veranderd. - Met het oog op de rechtszekerheid is het van belang dat het moment waarop het kind geacht wordt duurzaam te zijn opgenomen in een ander gezin, voor alle betrokkenen als zodanig bepaalbaar is. - Het zal eerder aannemelijk zijn dat een ouder het feitelijke gezag over een kind voert, wanneer die ouder tevens het juridische gezag heeft, dan wanneer dat niet het geval is. - Om te bepalen in hoeverre een ouder voorziet in het onderhoud van een kind, dienen alle bewijsmiddelen bij de beoordeling te worden betrokken. Bovendien zijn de criteria van de draagkracht van de ouder en de behoefte van het kind eerder in lijn met de uitgangspunten van het beleid, dat aansluit bij de feitelijke situatie van betrokkenen in het land van herkomst, dan de normstellingen in de AKW, die de situatie in Nederland als uitgangspunt nemen. - In het geval dat een ouder vraagt om toelating van een eigen kind omdat dat kind om dringende redenen niet langer in “het ander gezin” kan blijven, terwijl de feitelijke gezinsband tussen ouder en kind is verbroken, moet - als ondergrens - onderzocht worden of zich niet een situatie voordoet waarin het kind niet (meer) of bezwaarlijk door in het land van herkomst wonende naaste bloed- of aanverwanten kan worden verzorgd. In dit verband wordt verwezen naar het beleid ingevolge hoofdstuk B3/3 Vc-1994 inzake de toelating van pleegkinderen.
Advocaten
- P. Boeles
- R.J.R. Hazen
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
De Minister van Buitenlandse Zaken
verweerder · overheid
Overheidspartijen
De Minister van Buitenlandse Zaken
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
