ECLI:NL:RBSGR:2000:AA9286
Rechtbank 's-Gravenhage · 10-10-2000 · zaaknummer AWB 00/63336
Inhoudsindicatie
Het enkele gegeven dat op grond van artikel 10 van de Verordening echtgenoten van onderdanen die op het grondgebied van een andere lidstaat werkzaam zijn, zich aldaar met de werknemer mogen vestigen, leidt in het onderhavige geval nog niet tot de conclusie dat de vreemdelinge ook daadwerkelijk wordt toegelaten in Duitsland. De toelating op grond van de Verordening kan onder andere - zoals dat ook in het Nederlandse vreemdelingenrecht het geval is, op grond van artikel 39 van het EG-Verdrag worden geweigerd op grond van de openbare orde, de openbare veiligheid en uit hoofde van de volksgezondheid. Ook voor toelating met een beroep op de Verordening is noodzakelijk dat de desbetreffende vreemdeling zich meldt bij de Duitse autoriteiten die zich vervolgens ervan kunnen vergewissen dat de weigeringsgronden zich niet voordoen. In casu is niet gebleken dat de vreemdelinge zich al bij de Duitse autoriteiten heeft gemeld om op grond van de relevante EG-bepalingen aldaar verblijfsrecht te verkrijgen, noch dat de Duitse autoriteiten de vreemdelinge daadwerkelijk verblijfsrecht hebben gegeven. Anders dan namens de vreemdelinge is gesteld, is de rechtbank dan ook van oordeel dat voorshands niet aannemelijk is gemaakt dat aan de vreemdelinge (thans) in Duitsland verblijfsrecht toekomt. Beroep ongegrond.
Rechters
Advocaten
- H.W. Pieters
- I. PROCESVERLOOP Bij
- P.H. Hillen
- Z. Iza
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
