ECLI:NL:RBSGR:2000:AA8963
Rechtbank 's-Gravenhage · 08-09-2000 · zaaknummer 99/7000 WAO
Inhoudsindicatie
Hetgeen is bepaald in art. 3, derde lid WAO in dit concrete geval onverenigbaar met art. 41, eerste lid van de Samenwerkingsovereenkomst en dient als zodanig ten aanzien van eiser buiten toepassing te blijven. Tussen partijen is in confesso en ook de rechtbank gaat er van uit dat eiser op de zogeheten datum einde wachttijd, te weten 23 maart 1999, niet rechtmatig in Nederland verblijf hield als bedoeld in art. 1b, aanhef en onder 1, Vw aangezien hij op die datum niet beschikte over een document waaruit de rechtmatigheid in de zin van dat art.lid blijkt. Dat eiser op die dag wel rechtmatig in Nederland verblijf hield op grond van art. 1b, aanhef en onder 3, Vw omdat hij in afwachting was van een beslissing op zijn aanvraag om een vergunning tot verblijf en hij die beslissing in Nederland mocht afwachten, kan aan de uitdrukkelijke in art. 3, lid 3, WAO neergelegde keuze van de wetgever voor de verblijfsstatus van art. 1b, aanhef en onder 1, Vw niet afdoen. Ook kan eiser niet op grond van de uitbreidingsregel van het Bub 1990 als verzekeringsplichtige werknemer worden aangemerkt, nu als vaststaande moet worden aangenomen dat eisers werkgeefster Z B.V. te Y nimmer een tewerkstellingsvergunning als bedoeld in art. 2 van de Wav toegekend heeft gekregen. De in het bestreden besluit vastgelegde weigering van toekenning van WAO-uitkering is derhalve in lijn met evengenoemde bepalingen van nationaal recht. Vervolgens is aan de orde of de uitkeringsweigering in strijd is te achten met regels van internationaal recht. In dat verband acht de rechtbank van doorslaggevende betekenis hetgeen het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen met betrekking tot de toepassing van art. 41 van de Samenwerkings-overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en het Koninkrijk Marokko (goedgekeurd bij EG-verordening nr. 2211/78 van 26 september 1978, PB L 263) heeft geoordeeld in de arresten Kziber (31 januari 1991, C-18/90), Yousfi (20 april 1994, C-58/93) en Hallouzi-Choho (3 oktober 1996, C-126/95). De rechtbank leidt uit de rechtspraak van het Hof van Justitie ter zake van art. 41, eerste lid, van de Samenwerkingsovereenkomst, alsmede uit de jurisprudentie ter zake van de met de Samenwerkingsovereenkomst gelijk te stellen Associatieovereenkomst EG-Turkije en het daarop gebaseerde Besluit nr. 3/80, zie het arrest Sala (12 mei 1998, C-85/96) en Sürül af, dat het beginsel van het ontbreken van elke discriminatie op grond van nationaliteit geen toepassing vindt bij illegaal verblijf op het grondgebied van het gastland. De rechtbank wijst er op dat deze jurisprudentiële regel inmiddels is gecodificeerd in art. 66 van de op 26 februari 1996 te Brussel tussen de EG en het Koninkrijk Marokko gesloten Euro-Mediterrane Overeenkomst (T 1996,231), welk verdrag met ingang van 1 maart 2000 de Samenwerkings-overeenkomst heeft vervangen. Binnen dat kader overweegt de rechtbank dat eiser -zoals hiervoor vastgesteld- ten tijde hier in geding in afwachting was van een beslissing op zijn aanvraag om een vergunning tot verblijf en als zodanig moet worden aangemerkt als een vreemdeling die op grond van art. 1b, aanhef en onder 3, Vw rechtmatig in Nederland verblijf houdt. Hoewel eiser op 24 maart 1999 dus niet illegaal in Nederland verbleef, wordt hij ingevolge art. 3, derde lid, in verbinding met het zesde lid, van de WAO toch niet als werknemer beschouwd omdat hij niet voldoet aan de (striktere) voorwaarden van het beschikken over een vergunning tot verblijf, dan wel het verrichten van arbeid in overeenstemming met de Wav. Aangezien deze nadere voorwaarden enkel kunnen worden tegengeworpen aan niet-Nederlanders, wordt door de toepassing ervan rechtstreeks onderscheid gemaakt naar nationaliteit hetgeen indruist tegen het discriminatieverbod van art. 41, eerste lid, van de Samenwerkingsovereenkomst. De rechtbank beantwoordt vervolgens de vraag of tegen de gesignaleerde discriminatie redelijke en objectieve rechtvaardigingsgronden kunnen worden ingebracht in ontkennende zin. Zij overweegt daartoe dat het hier betreft een vorm van directe discriminatie naar nationaliteit ten aanzien waarvan de Samenwerkingsovereenkomst in ieder geval geen uitzonderingen toestaat en waarvan het de rechtbank uit de rechtspraak van het Hof van Justitie terzake van schending van art. 41, eerste lid, van de Samenwerkingsovereenkomst (de arresten Kziber, Yousfi en Hallouzi-Choho) niet is gebleken dat dat college rechtvaardigingsgronden in aanmerking neemt. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat hetgeen is bepaald in art. 3, derde lid, WAO in dit concrete geval onverenigbaar is met art. 41, eerste lid, van de Samenwerkingsovereenkomst en als zodanig ten aanzien van eiser buiten toepassing dient te blijven. Beroep gegrond en vernietiging bestreden besluit. mrs. D. de Loor, E.G. Eggeraat, G.S.A. DijkstraWAO 3.3, 3.6Vw 1bKoppelingswetWet arbeid vreemdelingen (Wav)Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden werknemersverzekeringen 1990 (Bub 1990) Samenwerkingsovereenkomst EEG-Marokko 41.1
Rechters
In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.
Advocaten
- H. van der Wal
- J.J. Grasmeijer
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
