ECLI:NL:RBSGR:2000:AA8961
Rechtbank 's-Gravenhage · 19-01-2000 · zaaknummer 99/3825 ABW
Inhoudsindicatie
Koopsompolis met lijfrenteclausule aan te merken als uitgesteld inkomen in de zin van art. 47, lid 2 Abw. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat de onderhavige koopsom ad f. 25.000,-- met lijfrente-clausule uitgesteld arbeidsinkomen, verband houdend met de beëindigde dienstbetrekking bij de Stichting, vertegenwoordigt, welk inkomen op grond van art. 47, tweede lid, van de Abw in aanmerking moet worden genomen. Terecht heeft verweerder daartoe betekenis toegekend aan de brief van de belastingdienst aan de Stichting d.d. 14 maart 1996 en de voorwaarden waaronder de koopsompolis met lijfrenteclausule is afgesloten. Uit genoemde brief blijkt immers dat de belastingdienst daarbij de op grond van die polis te zijner tijd aan eiseres toe te kennen periodieke uitkeringen op verzoek van de Stichting heeft aangemerkt als een aanspraak op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon in de zin van art. 11, eerste lid, onder e, van de wet op de Loonbelasting 1994, onder de voorwaarde dat op de polis wordt aangetekend dat de uitkeringen worden aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking, niet zijnde pensioen of soortgelijke beloning. Een dergelijke voorwaarde is blijkens de gedingstukken feitelijk ook in de polisvoorwaarden opgenomen. De rechtbank merkt in dit verband verder nog op dat in de polisvoorwaarden tevens uitdrukkelijk is vermeld dat de verzekering verband houdt met een door verzekerde binnen het Rijk uitgeoefende dienstbetrekking. Op grond van deze feiten kan aan de waarde van de polis het karakter van inkomen in verband met arbeid, zijnde de dienstbetrekking van eiseres met de Stichting, naar het oordeel van de rechtbank niet worden ontzegd. Vast staat dat de koopsompolis kan worden afgekocht: blijkens een brief van de verzekeringsmaatschappij aan eiseres d.d. 5 juni 1998 bedraagt de afkoopwaarde per 1 april 1998 f. 28.842,--. Nu het afkoopbedrag feitelijk eerst na daadwerkelijke afkoop en in dit opzicht derhalve achteraf, dat wil zeggen na de beëindiging van de dienstbetrekking met de Stichting, aan eiseres wordt uitbetaald, moet het als zodanig in verband met die dienstbetrekking tot uitkering komend inkomen als uitgesteld in de zin van art. 47, tweede lid, van de Abw worden beschouwd. Beroep ongegrond.Burgemeester en wethouders van Rijnsburg, verweerder.mr. S.C. Stuldreher
Rechters
In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
het college van burgemeester en wethouders van Rijnsburg
verweerder · overheid
Overheidspartijen
het college van burgemeester en wethouders van Rijnsburg
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
