Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA8314

Rechtbank 's-Gravenhage · 05-10-2000 · zaaknummer AWB 00/04792 MAWKMA

Bestuursrecht; Bestuursrecht; AmbtenarenrechtGepubliceerd 04-04-2013
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Immateriële schadevergoeding; aan betrokkene toe te rekenen omstandigheid leidt tot beperking van toegekende vergoeding. Besluit verweerder tot toekenning immateriële schadevergoeding van f. 10.000,- in verband met longcarcinoom als gevolg van blootstelling aan asbest tijdens in dienst van defensie verrichte werkzaamheden. Door de erkenning door verweerder staat vast dat verweerder aansprakelijk is voor de schade die het gevolg is van het longcarcinoom. Gelet op de medische gegevens is de rechtbank met verweerder van oordeel dat de behandeling van het longcarcinoom curatief is geweest en dat er geen sprake is geweest van een voortschrijdende achteruitgang van de gezondheid van betrokkene door het longcarcinoom. Verweerder heeft op grond van de AMA-richtlijnen de mate van invaliditeit vastgesteld op 10%. De rechtbank dient de vragen te beantwoorden in hoeverre het longcarcinoom invaliderend geweest is, tot welk bedrag aan immateriële schadevergoeding die mate van invaliditeit leidt, of betrokkene gerookt heeft en of het -door eiseres betwiste- roken van betrokkene van invloed dient te zijn op de toe te kennen schadevergoeding. De rechtbank volgt verweerder in het standpunt dat de AMA-richtlijnen een grondslag bieden voor het vaststellen van de mate van invaliditeit van de gehele mens, maar stelt de mate van invaliditeit vast op 25%, het hoogste percentage dat onbestreden volgens de AMA-richtlijn bij een curatieve behandeling van een longcarcinoom door een pneumonectomie geldt. Immers, het invaliderend effect van het verwijderen van één long zal groter zijn, indien de behouden long reeds door vrij fors CARA-lijden in functie beperkt is. Deze schadevergrotende omstandigheid door de predispositie van betrokkene dient voor risico van verweerder te blijven. Verweerder volgt ter bepaling van het bedrag aan immateriële schadevergoeding het Convenant Instituut Asbestslachtoffers (verder: Convenant) waarin de immateriële schade bij overlijden op f. 90.000,-- gesteld wordt. (per 01-01-2000 geïndexeerd). Het bedrag ad f. 90.000,- wordt betaald aan (gewezen) werknemers die als gevolg van een door asbest veroorzaakt longcarcinoom zullen komen te overlijden of aan hun nabestaanden. In het onderhavige geval is er geen sprake geweest van een mesothelioom waaraan betrokkene zeker zou overlijden, maar van een carcinoom dat curatief behandeld is. Hierin ziet de rechtbank aanleiding om niet het door eiseres gevraagde volledige bedrag ad f 90.000,- toe te wijzen. Nu verweerder bij een mate van invaliditeit van 10% het bedrag aan immateriële schadevergoeding op f 10.000,-- gesteld heeft, zou bij een mate van invaliditeit van 25% en bij een volledige toerekening van de schade aan verweerder een immateriële schadevergoeding ad f 25.000,-- in de rede liggen. Gelet op het feit dat zowel asbest als het roken zelfstandig de oorzaak van het longcarcinoom kan zijn, dat ook in het onderhavige geval medisch niet vast te stellen valt of de asbest of het roken uiteindelijk de oorzaak is geweest van het ontstane longcarcinoom, dat derhalve geen der partijen kan bewijzen welke oorzaak aan het longcarcinoom ten grondslag ligt en dat het daarom niet in de rede ligt van een der partijen in het onderhavige geval te verlangen op dit punt enig bewijs te leveren, is de rechtbank van oordeel dat er aanleiding bestaat om analoog aan art. 6:101 BW bij de vaststelling van het bedrag aan immateriële schadevergoeding rekening te houden met de mogelijkheid dat een aan betrokkene toerekenbare omstandigheid, te weten zijn tabaksconsumptie, mogelijk de oorzaak van de schade is geweest. In verband met het roken dient een deel van de schade aan betrokkene toegerekend te worden in die zin dat verweerder het 55/66ste deel van het bedrag aan immateriële schade dient te vergoeden. De rechtbank zal ten aanzien van het bedrag aan immateriële schade zelf in de zaak voorzien en het bedrag aan immateriële schade vaststellen op f 20.833,-- (55/66* f. 25.000,--). De factor 55/66 leidt de Rechtbank af uit zogenaamde incidentiecijfers. De Staatssecretaris van Defensie, verweerder. mr. L.P. Bosma

Rechters

In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.

Partijen

  • Tegen: de Staatssecretaris van Defensie

    verweerder · overheid

Overheidspartijen

  • Tegen: de Staatssecretaris van Defensie

    verweerder

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.