ECLI:NL:RBROT:2020:1982
Rechtbank Rotterdam · 09-03-2020 · zaaknummer ROT 19/3049
Inhoudsindicatie
Gelet op het arrest van het Hof van Justitie van 27 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:260, in de zaak Pawlak, en ook gelet op de tekst en strekking van het meermaals gewijzigde artikel 7 van de Postrichtlijn, kan het college niet worden gevolgd in zijn stelling dat Falkpost, reeds omdat die niet dezelfde verplichtingen heeft als de universele dienstverlener, niet in gelijke zin zou kunnen profiteren van artikel 6:9 lid 2 Awb. Indien artikel 6:9 lid 2 Awb zo zou moeten worden uitgelegd dat het alleen ziet op postbezorging in de brievenbus of ten kantore van PostNL voor aangetekende verzending, zoals eerder is aangenomen door de hoogste bestuursrechters, dan schept die bepaling exclusieve of bijzondere rechten voor het verrichten van postdiensten, hetgeen is verboden. De rechtbank staat aldus voor de vraag of een richtlijnconforme toepassing van die bepaling mogelijk en geboden is. Naar het oordeel van de rechtbank staan de overwegingen van het Hof van Justitie inzake uitlegging contra legem en de eisen van rechtszekerheid niet in de weg aan richtlijnconforme uitleg van artikel 6:9 lid 2 Awb. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat artikel 6:9 lid 2 Awb – anders dan de toepasselijke Poolse wet – niet contra legem hoeft te worden uitgelegd om tot een gelijkstelling van aangetekende verzending door PostNL en andere postvervoerders zoals Falkpost te komen.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Partijen
[eiser]
eiser · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
