ECLI:NL:RBROT:2019:623
Rechtbank Rotterdam · 17-01-2019 · zaaknummer ROT 18/1741
Inhoudsindicatie
In zijn hiervoor genoemde uitspraak van 13 mei 2016 heeft het College zich in eerste en enige aanleg gebogen over de eerdere weigering van ACM om over te gaan tot handhaving. Uit de artikelen 7 en 11 van bijlage 2 bij de Awb volgt met betrekking tot de Telecommunicatiewet (Tw) dat de rechtbank thans onder meer bevoegd is ten aanzien van besluiten van ACM met betrekking tot de artikelen 15.2 en 15.4. Uit deze bepalingen volgt dat wanneer een beslissing (op bezwaar) van ACM betrekking heeft op oplegging van een last onder bestuursdwang of een bestuurlijke boete in het kader van de handhaving van de Tw, rechtspraak in twee instanties moet plaatshebben en de rechtbank in eerste aanleg bevoegd is. Indien ACM afwijzend beslist op handhaving door middel van een last onder bestuursdwang of, gelet op artikel 5:32, eerste lid, van de Awb, een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete, dan is de rechtbank naar haar oordeel eveneens bevoegd, omdat een vernietiging door de bestuursrechter ertoe kan leiden dat alsnog een van deze handhavingsinstrumenten ingezet zal (moeten) worden (vergelijk CBb 15 juni 2011, ECLI:NL:CBB:2011:BQ8708 en CBb 20 juni 2013, ECLI:NL:CBB:2013:6). De rechtbank is daarom bevoegd om kennis te nemen van het nu voorliggende beroep.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
