ECLI:NL:RBROT:2016:1981
Rechtbank Rotterdam · 18-03-2016 · zaaknummer ROT 15/2408
Inhoudsindicatie
Bijstand. Beroep gegrond. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op grond van de onderzoeksbevindingen op het standpunt mogen stellen dat eiser vanaf 11 april 2014 zijn hoofdverblijf had in de woning van [vrouw]. Verweerder heeft dan ook aannemelijk gemaakt dat [vrouw] met betrekking tot de periode van 11 april 2014 tot en met 30 juni 2014 haar inlichtingenplicht, zoals bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wwb, heeft geschonden vanwege het voeren van een gezamenlijke huishouding met eiser. Nu dit heeft geleid tot het ten onrechte ontvangen van bijstand, is verweerder, gelet op het bepaalde in artikel 58, eerste lid, van de Wwb, terecht tot terugvordering van de bijstand over deze periode overgegaan. Nu eiser aangemerkt moet worden als de persoon met wiens middelen bij de verlening van bijstand aan [vrouw] rekening had moeten worden gehouden, is ten aanzien van eiser voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 59, tweede en derde lid, van de Wwb. Verweerder was dan ook bevoegd de gemaakte kosten van de ten onrechte aan [vrouw] over de periode van 11 april 2014 tot en met 30 juni 2014 verleende bijstand mede van eiser terug te vorderen en hem hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor die terugvordering. In wat eiser heeft aangevoerd is geen grond gelegen om te oordelen dat verweerder niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Met betrekking tot de periode van 1 januari 2013 tot en met 10 april 2014 heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt dat [vrouw] haar inlichtingenplicht heeft geschonden vanwege het voeren van een gezamenlijke huishouding met eiser. Verweerder was dan ook niet bevoegd de kosten van bijstand over die periode mede van eiser terug te vorderen. Verweerder heeft aangegeven gelet op de tijdsverloop een nader onderzoek naar deze periode niet zinvol te achten. De rechtbank zal verweerder dan ook niet in de gelegenheid stellen het gebrek van het bestreden besluit door het doen van nader onderzoek te herstellen. De rechtbank heeft onvoldoende gegevens om het geschil finaal te beslechten. Nu het echter nog slechts gaat om een financiële uitwerking, waarbij het terug te vorderen bedrag over de periode van 11 april 2014 tot en met 30 juni 2014 dient te worden vastgesteld, acht de rechtbank toepassing van de zogeheten bestuurlijke lus niet aangewezen.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
[eiser]
eiser · onbekend
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schiedam
verweerder · overheid
Overheidspartijen
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schiedam
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
