ECLI:NL:RBROT:2014:8043
Rechtbank Rotterdam · 20-08-2014 · zaaknummer C/10/446518 / HA ZA 14-263
Inhoudsindicatie
Heeft gedaagde onrechtmatig jegens eisers gehandeld door de publicatie van twee artikelen van 7 en 9 augustus 2013 in krant en op internet/social media?; Bij de beantwoording van die vraag spelen twee fundamentele rechten een rol, te weten het recht op vrijheid van meningsuiting (art. 7 Grondwet en art. 10 EVRM) en het recht op eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven (art. 8 EVRM), anders gezegd het recht op bescherming van de eer en goede naam. Het belang van eisers is in het bijzonder daarin gelegen dat zij niet mogen worden blootgesteld aan lichtvaardige beschuldigingen. Het belang van gedaagde is dat zij zich in het openbaar op kritische en informerende wijze moet kunnen uitlaten over voorvallen en/of misstanden in de samenleving. Welke van deze belangen de doorslag behoort te geven, hangt af van de in onderling verband te beschouwen omstandigheden, waaronder de aard van de openlijke beschuldigingen, de ernst van de mogelijke gevolgen van de publicatie, de ernst van de misstanden die men aan de kaak wil stellen, de feitelijke juistheid van de beschuldiging en de mate waarin de beschuldigingen ten tijde van de publicatie steun vonden in het toen beschikbare feitenmateriaal. Gelet op de in het vonnis onder 4.5 genoemde omstandigheden, in onderling verband bezien, is de rechtbank van oordeel dat gedaagde door publicatie van het artikel van 7 augustus 2013 onrechtmatig jegens eiser1 en eiser2 heeft gehandeld. De rechtbank rekent gedaagde daarbij met name aan dat zij geen wederhoor heeft toegepast voorafgaande aan de plaatsing van het artikel. De bewijslastverdeling ter zake van de vraag of dwangsommen zijn verbeurd verschilt naar gelang van de aard van de verplichting op overtreding waarvan de dwangsom is gesteld: betreft het een verplichting om te geven of te doen, dan moet degene jegens wie de veroordeling is uitgesproken bewijzen dat hij aan zijn verplichting heeft voldaan; betreft het echter een verplichting om niet te doen, dan zal de executant, als in een bodemprocedure wordt getwist over de vraag of de dwangsommen zijn verbeurd, moeten bewijzen dat de geëxecuteerde het verbod heeft overtreden.
Rechters
Advocaten
- A.F. Mandos
- G.J.E. Schoofs
Partijen
[gedaagde]
gedaagde · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
