ECLI:NL:RBROT:2010:BL4366
Rechtbank Rotterdam · 20-01-2010 · zaaknummer 296971 / HA ZA 07-3002
Inhoudsindicatie
Kredietovereenkomst, aangegaan bij een bank door vennootschap. Als zekerheden dienen hoofdelijke borgstellingen van de bestuurders, ieder tot een maximum van EUR 25.000,00, en het pandrecht op vorderingen die de vennootschap op derden heeft. Eén van de drie bestuurders (A) verklaart bij aangaan van de overeenkomst in strijd met de waarheid dat geen eerdere zekerheidsrechten rusten op de verpande vorderingen. In werkelijkheid zijn eerder ten behoeve van A zelf en van door hem bestuurde vennootschappen reeds stille pandrechten op dezelfde vorderingen verleend. A wordt op enig moment als bestuurder ontslagen, niet lang daarna gaat de vennootschap failliet. Debetstand is ruim EUR 29.000,00. Eerste pandrechten worden uitgewonnen. Bank vordert debetsaldo van A, waarvan EUR 25.000,00 op grond van de borgstelling en het resterende deel op grond van onrechtmatige daad. Voor uitwinnen van de (hoofdelijk gestelde) borg is niet vereist dat ook de andere borgen worden aangesproken. Met toepassing van de maatstaf uit HR 08-12-2006 (LJN AZ0758) geldt de verzwijging van de eerdere pandrechten door A als onrechtmatig handelen door jegens de bank waarvoor A als bestuurder persoonlijk aansprakelijk is. Bank heeft debetstand niet aan eigen schuld te wijten, nu zij niet gehouden was om op basis van mededelingen van A de rekening-courant na diens ontslag als bestuurder te bevriezen. Niet relevant of A de hand heeft gehad in het ontstaan van de debetstand.
Rechters
Advocaten
Partijen
[gedaagde]
gedaagde · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
