ECLI:NL:RBROT:2001:AC1903
Rechtbank Rotterdam · 14-06-2001 · zaaknummer ABW 99/1012-GAME ABW 99/1013-GAME
Inhoudsindicatie
Verweerders beleid betreffende verblijf in het buitenland, zoals neergelegd in het Handboek SoZaWe strookt niet met het bepaalde in art. 9 Abw. Eiser heeft toestemming gevraagd voor een vakantie naar Pakistan van 24 maart 1998 tot en met 4 mei 1998. Verweerder heeft toestemming verleend waarbij werd bepaald dat de uitkering zou worden doorbetaald tot 20 april 1998. Eerst op 26 juni 1998 is eiser naar Nederland teruggekeerd en heeft zich op 29 juni bij de dienst SoZaWe gemeld. Vervolgens heeft verweerder eisers uitkering over de periode 24 maart 1998 tot en met 20 april 1998 herzien in die zin dat in het geheel geen uitkering bestaat omdat eiser niet langer in B woonde (besluit I). Tevens heeft verweerder de bijstandsnorm vanaf 1 juli 1998 gedurende één maand met 10% verlaagd (besluit II). De rechtbank overweegt dat blijkens constante jurisprudentie in geval van verblijf in het buitenland niet van het territorialiteitsbeginsel kan worden afgeweken, ongeacht de reden van het langere verblijf in het buitenland met uitzondering van een jaarlijkse vakantie in het buitenland van maximaal vier weken. Blijkens de wetsgeschiedenis heeft de wetgever met de invoering van de nieuwe Abw geen breuk beoogd met deze vaste jurisprudentie. De rechtbank is van oordeel dat het beleid van verweerder betreffende verblijf in het buitenland zoals weergegeven in het Handboek SoZaWe niet in overeenstemming is met het bepaalde in art. 9 van de Abw. In de memorie van antwoord bij dit artikel wordt immers gesproken van het op grond van het territorialiteitsbeginsel niet kunnen voortzetten van de bijstand na vier weken verblijf in het buitenland, ongeacht de reden van het langere buitenlandse verblijf. De rechtbank overweegt dan ook dat, indien met toestemming van de uitkerende instantie gedurende vier weken met behoud van uitkering in het buitenland wordt verbleven, en de betreffende persoon keert eerst na afloop van die vier weken terug naar Nederland, hij het recht op bijstand over die vier weken verblijf in het buitenland behoudt. De rechtbank concludeert dan ook dat verweerder ten onrechte de volledige periode dat eiser in het buitenland heeft verbleven, dus ruim 13 weken, van eiser heeft teruggevorderd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat bestreden besluit I vernietigd dient te worden. De opgelegde maatregel in besluit II is met terugwerkende kracht ingegaan waardoor het besluit in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel en met verweerders beleid, waarin staat vermeld dat de maatregel in beginsel niet eerder mag ingaan dan de dag volgende op de datum van verzending van de beschikking en dat bij gedragingen in het verleden de uitkering dus niet met terugwerkende kracht verlaagd wordt middels een herzienings- en terugvorderingsbesluit. Besluit II vernietigd. College van burgemeester en wethouders van Rotterdam, verweerder. mr. H.A. van Gameren Abw 9.1.d Regeling gebruikelijke vakantieduur (Besluit Minister van SoZaWe van 13 maart 1998, Stcrt. 51) Handboek SoZaWe (B/2300)
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam
verweerder · overheid
Overheidspartijen
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
