ECLI:NL:RBROT:2000:AA6715
Rechtbank Rotterdam · 23-06-2000 · zaaknummer WET 96/1733-SCR
Inhoudsindicatie
Afwijking van hoofdregel inzake processuele connexiteit in geval van bijzondere rechtsbeschermingsvoorziening. Afwijzing verzoek om schadevergoeding i.v.m. polderpeilverlaging. Ambtshalve oordeel Rechtbank over de ontvankelijkheid van het daartegen gerichte bezwaar; richtinggevend is de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) d.d. 06-05-1997 (LJN AA6762) Primair besluit wordt door de Rechtbank aangemerkt als zelfstandig schadebesluit. Vaststaat dat de beide peilbesluiten naar het recht op de tijdstippen dat zij werden genomen, o.g.v. de toen geldende Waterstaatswet 1900 waren onderworpen aan de goedkeuring van GS, waarna beroep op de Kroon openstond. Aangezien destijds tegen de beide peilbesluiten en het besluit van GS omtrent de goedkeuring geen beroep bij de bestuursrechter openstond, zou zulks, beoordeeld overeenkomstig de door de Afdeling in de uitspraak van 6 april (lees: mei) 1997 uitgezette lijn, gelet op art. 7:1, eerste lid, aanhef, Awb tot de slotsom moeten leiden dat eiser geen (ontvankelijk) bezwaar kon maken tegen het besluit van 16-06-1995. De Rechtbank ziet echter aanleiding in het onderhavige geval tot een andersluidend oordeel te komen. In de uitspraak van de Rechtbank te Zutphen van 10-02-1998 (AB 1998, nr. 227; LJN AA6732) is als nuancering op de hoofdregel van de zogenoemde processuele connexiteit geformuleerd dat de Afdeling met haar uitspraak van 06-05-1997 geen wijziging heeft willen brengen in de jurisprudentie van de voormalige Afdeling rechtspraak van de Raad van State onder de werking van de inmiddels vervallen Wet administratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen (hierna: Wet Arob), welke erop neerkwam dat, na bezwaar, beroep bij de bestuursrechter kon worden ingesteld tegen een beslissing op een op beleidsregels gebaseerd verzoek om schadevergoeding. In het onderhavige geval gold evenwel voor het traject van besluitvorming door verweerder en GS op eisers verzoek om schadevergoeding een bijzondere, destijds de toepassing van de Wet Arob uitsluitende, rechtsbeschermingsvoorziening o.g.v. de artikelen 22 en 24 van de voormalige Waterstaatswet 1900. Op het beroep van eiser tegen het besluit van GS van 23-07-1991 is beslist door een administratieve rechter, namelijk de Afdeling (voor de geschillen van bestuur van de Raad van State; toevoeging Justex) ingevolge de Tijdelijke wet Kroongeschillen. Ook in een dergelijke situatie, welke de Rechtbank niet principieel verschillend acht van die waarover de Rechtbank te Zutphen uitspraak heeft gedaan, moet worden aangenomen dat het stelsel van de Awb niet beoogt te bewerkstelligen dat thans geen administratieve rechter meer zou kunnen oordelen over de vervolgprocedure na de vernietiging door de Afdeling (geschillen; toevoeging Justex) van het besluit van GS en het besluit van verweerder. Daarom dient ook in dit geval de hoofdregel van de processuele connexiteit te wijken. Bezwaarschrift terecht ontvankelijk geacht. De Verenigde Vergadering van het Waterschap De Brielse Dijkring, verweerder. mr. drs. Th.G.M. Simons, mrs. C.W.J. Schoor, A.B.J. van der Ham
Advocaten
- B.J.M. Veldhoven
- H.H. Luigies
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
het Waterschap De Brielse Dijkring
verweerder · overheid
Overheidspartijen
het Waterschap De Brielse Dijkring
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
