Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RBNNE:2026:1399

Rechtbank Noord-Nederland · 22-04-2026 · zaaknummer LEE 20/3662

BestuursrechtGepubliceerd 22-04-2026
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

De Christelijke Gemeente van Jehovah's Getuigen in Nederland (eiseres) heeft bij de rechtbank geprocedeerd over de weigering om bepaalde informatie openbaar te maken op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Het gaat om informatie die samenhangt met het rapport ‘Seksueel misbruik en aangiftebereidheid binnen de gemeenschap van Jehova’s getuigen’ (het rapport). Dat rapport is in 2019 gepubliceerd door het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC), na onderzoek door de Universiteit Utrecht (de universiteit). Deze uitspraak gaat over een besluit van de minister van Justitie en Veiligheid (de minister) tot gedeeltelijke openbaarmaking van documenten en documentonderdelen en de weigering tot openbaarmaking van andere documenten en documentonderdelen op grond van het door eiseres ingediende informatieverzoek. De rechtbank is van oordeel dat de minister op goede gronden heeft geconcludeerd dat documenten afkomstig van het college van bestuur van de universiteit (het college) ten behoeve van intern beraad zijn opgesteld. Deze documenten zijn opgesteld met het oog op gebruik binnen de overheid. De rechtbank volgt eiseres niet in het betoog dat het college een eigen belang heeft dat als zodanig bij het beraad een rol speelt. De minister heeft naar het oordeel van de rechtbank kunnen concluderen dat het uitvoeren van een gedegen wetenschappelijk onderzoek vooropstond bij de universiteit. De rechtbank stelt voorts vast dat eiseres vraagtekens stelt bij het niet openbaar maken door de minister van (onderdelen van) 23 andere documenten omdat in bepaalde (onderdelen van) documenten sprake zou zijn van intern beraad en dat daarin persoonlijke beleidsopvattingen zouden zijn opgenomen. Na kennisneming van de ongelakte documenten oordeelt de rechtbank dat dit voor een deel van deze 23 documenten inderdaad het geval is. De rechtbank oordeelt vervolgens dat de minister voor een ander deel van deze 23 documenten ten onrechte niet kenbaar een afweging per zelfstandig documentonderdeel heeft gemaakt. Het gaat onder meer om conceptversies van de reeds bij het rapport openbaar gemaakte vragenlijst, documenten over gegevensverwerkingen binnen het ministerie en een beschrijving van de organisatiestructuur van eiseres. De minister heeft onvoldoende deugdelijk gemotiveerd waarom geen openbaarmaking van die (onderdelen van) documenten heeft plaatsgevonden. De minister moet daarover een nieuw besluit op bezwaar nemen. Verder oordeelt de rechtbank dat de weigering door de minister om documenten openbaar te maken niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Voorop staat dat artikel 8 van het EVRM niet vereist dat alle verzochte gegevens openbaar worden gemaakt. Die bepaling biedt staten die partij zijn bij het verdrag de mogelijkheid om aan het openbaar maken van gegevens en documenten beperkingen te verbinden. De Wob voorziet in dergelijke beperkingen. Eiseres heeft niet geconcretiseerd in hoeverre het recht op eerbiediging van privé- en familieleven in de onderhavige zaak in het geding is en op welke wijze het primaire besluit dit recht zou hebben aangetast. Met haar enkele stelling dat onbenoemde ledengroepen en individuele leden binnen haar gemeenschap in het recht op eerbiediging van privé- en familieleven zijn aangetast, is het door haar gestelde causale verband tussen de gedeeltelijke weigering om documenten openbaar te maken en de vermeende rechtsschending niet aannemelijk gemaakt. Dat eiseres voelt dat zij in het publieke debat op een informatieachterstand zou staan, doet aan dat gebrek aan concrete onderbouwing niet af. Voorts oordeelt de rechtbank dat de weigering door de minister om documenten openbaar te maken niet in strijd is met artikel 10 van het EVRM. In het betoog van eiseres ziet de rechtbank niet dat zich de zeer bijzondere omstandigheden voordoen als bedoeld in de vaste rechtspraak. Om zeer bijzondere omstandigheden aan te tonen, ligt het op de weg van eiseres om aan te tonen dat zij zonder de gevraagde informatie haar werk niet kan doen. Gelet op haar activiteiten als religieuze organisatie vervult eiseres niet een functie als publieke waakhond. Evenmin is haar werk het voeren van gerechtelijke procedures. Hoewel eiseres wel als werk heeft om haar leden te vertegenwoordigen, heeft zij niet aangetoond dat zij dat werk niet kan doen met het deel van de gevraagde informatie dat wel openbaar is gemaakt. Eiseres is in het licht van artikel 10, tweede lid, van het EVRM niet op onrechtmatige wijze belemmerd in haar aan het eerste lid van dat artikel ontleende recht om inlichtingen van de overheid te ontvangen. De rechtbank is verder van oordeel dat er sprake is van intern beraad ten aanzien van documenten afkomstig van de Stichting Reclaimed Voices (de Stichting). Na kennisneming van de ongelakte stukken stelt de rechtbank vast dat de Stichting in die stukken opvattingen en voorstellen met het WODC heeft gedeeld over een bestuurlijke aangelegenheid, namelijk het onderzoek naar aanleiding van de motie van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 3 juli 2018 (Kamerstukken II 2017-2018, 31015, nr. 154). Verschillende documentonderdelen die daarop zien, zijn door de minister beoordeeld en openbaar gemaakt. Voldoende duidelijk is dat de minister die beoordeling per documentonderdeel heeft gemaakt, ook ten aanzien van geweigerde documentonderdelen. Anders dan eiseres stelt, is van sturing van het WODC door de Stichting, met het oog op een gesteld eigen belang van de Stichting, geen sprake geweest. Uit e-mailcorrespondentie tussen de Stichting en het WODC volgt dat vanuit het WODC is aangegeven dat niet de inbreng van de Stichting maar de inhoud van de motie aanleiding is geweest om de onderzoekaanpak in het najaar van 2018 aan te passen. Van advisering of gestructureerd overleg van de Stichting met het WODC is geen sprake geweest. Daarnaast oordeelt de rechtbank dat de minister in het primaire besluit en in het bestreden besluit op bezwaar voldoende deugdelijk heeft uitgelegd waarom openbaarmaking van bepaalde documenten afkomstig van de universiteit tot nadeel voor de universiteit kan leiden en waarom dit nadeel onevenredig is. Na kennisneming van de ongelakte stukken volgt de rechtbank de minister in de conclusie dat dit onevenredige nadeel erin bestaat dat openbaarmaking van bepaalde documenten en documentonderdelen zou leiden tot inzicht in de werkwijze en werkprocessen van de universiteit bij onderzoek en dat concurrenten van de universiteit daar dan hun voordeel mee kunnen doen. Voldoende deugdelijk is gemotiveerd hoe dit nadeel is afgewogen tegen het algemeen belang van openbaarheid. De rechtbank is tot slot van oordeel dat eiseres de beroepsgrond over de zoekslag, in strijd met de goede procesorde heeft ingediend. Die nieuwe grond is in een te laat stadium ingediend. Daarbij is van belang dat het rapport waarop het informatieverzoek ziet, al in 2019 is uitgebracht. Eiseres heeft toen kennis kunnen nemen van (de voorgeschiedenis van) het rapport. Zij heeft de zoekslag vervolgens niet genoemd tijdens de behandeling van haar bezwaarschrift tegen het primaire besluit. Hierdoor kon de minister niet in het bestreden besluit op bezwaar reageren op die grond. Aangezien de zoekslag direct verband houdt met de behandeling van haar informatieverzoek, lag het in de rede dat eiseres die grond in de bezwaarfase of in haar aanvullend beroepschrift had ingediend. Eiseres heeft de beroepsgrond echter pas ruim vier jaar na het primaire besluit, en dus te laat, voor het eerst ingediend. De rechtbank laat die grond daarom verder buiten beschouwing. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit op bezwaar gedeeltelijk en draagt de minister op om een nieuw besluit op het bezwaar van eiseres te nemen over het vernietigde besluitgedeelte. Aan eiseres wordt een schadevergoeding toegekend voor geleden immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.